| 21312 |
duits |
duits:
dy.tš (Q253p Montzen)
|
Duits [ZND m]
III-3-1
|
| 23225 |
duivel |
duiker:
[sic]
dy(3)̄kər (Q253p Montzen),
duivel:
dövel (Q253p Montzen),
dər düüvəl (Q253p Montzen)
|
De duivel (volksnamen). [ZND 01u (1924)] || De duivel [duvel, duuvel, deivel]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 21965 |
duivenhok |
duifhuis:
dufǝs (Q253p Montzen),
duives:
dufes (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
Duivenhok. [ZND m] || Duiventil: a) duivenhok, b) duivenslag (buitendeel op het dak). [ZND 08 (1925)] || Soms vindt men in de nok van de zolder een afgeschotte ruimte voor de duiven, die door een gat in de gevel of in het dak in en uit kunnen vliegen. Hier staan de benamingen voor het duivenhok, ongeacht de vorm van dat hok, bijeen. De termen slag en spijker in dit lemma hebben betrekking op de duivenkooi als geheel. Zie ook het lemma "duivenslag" (3.4.8). In kaart 51 zijn voor Belgisch Limburg alleen de mondeling verzamelde gegevens in kaart gebracht. Zie afbeelding 17. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 10, 9k; L 8, 9a; L 38, 31; S 37; monogr. add. uit N 5A, 58c "til" en JG 2c; A 28, 14c "spijker]
I-6, III-3-2
|
| 21970 |
duivenmelker |
duivengek:
duvegèk (Q253p Montzen)
|
Duivenmelker. [ZND m]
III-3-2
|
| 22090 |
duivenslag |
duivenslag:
duveschlach (Q253p Montzen),
duvǝšlāx (Q253p Montzen)
|
Duiventil: a) duivenhok, b) duivenslag (buitendeel op het dak). [ZND 08 (1925)] || Het platform op het dak of tegen de gevel vóór de toegang tot het duivenhok, waarop de duiven aanvliegen en neerstrijken. Doorgaans is het platform niet meer dan een plank, soms heeft het de vorm van een huisje met een dak. In een enkel geval is de betekenis van de opgegeven term beperkt tot het (getraliede) valdeurtje dat men kan verstellen voor in- en uitvliegen; deze gevallen zijn telkens in het lemma vermeld. In kaart 52 zijn voor Belgisch Limburg alleen de mondeling verzamelde gegevens in kaart gebracht. Zie ook afbeelding 17 bij het lemma "duivenhok" (3.4.7). [JG 1a, 1b, 2c; L 8, 9b; monogr.]
I-6, III-3-2
|
| 24141 |
duivin, vrouwelijke duif |
duif:
duf (Q253p Montzen)
|
duif, wijfje [ZND 18 (1935)]
III-4-1
|
| 18006 |
duizelig |
dol:
deul gedret (Q253p Montzen),
dronken:
droonke (Q253p Montzen),
duizeltig:
duzeltech (Q253p Montzen),
vaal:
vool (Q253p Montzen)
|
dol worden, iemand die lang heeft of is rondgedraaid [N 07 (1961)] || duizelig [ZND m] || duizelig worden, iemand die een harde slag op zijn hoofd heeft gekregen [N 07 (1961)]
III-1-2
|
| 18008 |
duizeling, duizeligheid |
schwindel (du.):
ṣwindəl (Q253p Montzen)
|
Duizeling: draaierigheid, leeg gevoel in het hoofd (suizeling, duizeling, schwindel(ig), dul(le)). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 19310 |
durven |
dorren:
döare (Q253p Montzen),
døərə (Q253p Montzen)
|
durven [ZND 25 (1937)], [ZND m]
III-1-4
|
| 21418 |
duur |
duur:
dy:r (Q253p Montzen)
|
duur (hoge kostprijs) [ZND m]
III-3-1
|