e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
grof gebouwde vrouw capabel, een -: kapaabəl (Montzen), gendarme: sjandarəm (Montzen), huzaar: hoezar (Montzen), pats: patsch (Montzen), wel van een vrouwmens: en wel van e vrumiensj (Montzen) fors gebouwde vrouw [megochel, schommel] [N 07 (1961)] || hoe heet een sterk gebouwde vrouw (soms: tes, tas, enz.) [ZND 05 (1924)] III-1-1
grond, aarde aarde: ɛrt (Montzen) De algemene benaming. [S 1, 7, 11, 42; Wi 52; R III, 5, 6, 7, 8; L A1, 150; Vld.; N 18, add.; monogr.] I-8
grootjuffer overste: də øvəsjtə (Montzen) De overste van een begijnhof [grootjuffer]. [N 96D (1989)] III-3-3
grootouders ouwelui: auwlüj (Montzen) grootouders [ZND 11 (1925)] III-2-2
grootte grootte: grödde (Montzen), grø‧də (Montzen) grootte [ZND 01 (1922)] III-4-4
grootvader gross-vader: gruesfader (Montzen), opa: opa (Montzen) grootvader [ZND 11 (1925)] III-2-2
grootwerken grote stukken maken: gruǝtǝ štøkǝ mākǝ (Montzen) Het maken van grote kledingstukken zoals colberts, jassen, mantels en jacquets. [N 59, 194b] II-7
grootx groot: gruət (Montzen) groot III-4-4
grote binnenzak grote binnenste tas: met een v-tje op de  ən gruətə bɛngstə tɛ̄jš (Montzen) een grote binnenzak onder in de jas,(notariszak, notaristes?) [N 59 (1973)] III-1-3
grote hoeveelheid, hoop hoop: (= haufen).  hô.p (Montzen), Opm. Fr. espair.  hòêfnen (Montzen) hoop [ZND 01 (1922)] III-4-4