| 34061 |
vaars |
maal:
mǭl (L115p Mook)
|
Jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft. [JG 1a, 1b; A 2, 38; A 4, 11; Gwn V, 6; L 8, 27; L 20, 11; R 3, 37; S 38 en 49; Wi 16; monogr.; add. uit N 3A, 20]
I-11
|
| 20646 |
varkensvet |
smout:
smalt (L115p Mook),
varkensvet
smalt (L115p Mook)
|
Kent u het woord roet (of root, ruut, riet of iets dergelijks) in de betekenis van runder-, schapen- of geitenvet? Zo ja, in welke vorm? [DC 25 (1954)] || reuzel [DC 17 (1949)]
III-2-3
|
| 22648 |
vastenavond |
vastenavond:
vastənoͅ.vənt (L115p Mook)
|
vastenavond [RND]
III-3-2
|
| 21284 |
vechten |
vechten:
fɛ:xtə (L115p Mook)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND]
III-3-1
|
| 34266 |
vee |
beesten:
bēstǝ (L115p Mook)
|
Alle huisdieren samen: paarden, runderen en kleinvee. Vergelijk het lemma ''veestapel'' (13.12) in deze aflevering. [A 11, 4; JG 1a; RND 4, 31; RND 7, 31; RND 8, 31; RND 10, 31; Wi 52; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 24264 |
veldleeuwerik, leeuwerik |
leeuwerik:
leiwerik (L115p Mook)
|
leeuwerik [Roukens 03 (1937)]
III-4-1
|
| 32842 |
veldstrengen |
klingels:
kleŋǝls (L115p Mook),
repen:
rēpǝ (L115p Mook)
|
De beide koorden of kettingen waaraan een paard via het zwenghout een akkerwerktuig voorttrekt; vergelijk afb. 98. Deze zijn gewoonlijk langer dan de strengen van een paard dat voor een kar of wagen gespannen is. Termen die toepasselijk zijn op de strengen en het zwenghout tezamen, zijn bijeengezet aan het einde van dit lemma. Voor varianten of delen daarvan in de ''...''-vorm zij verwezen naar de lemmata ''ploeg'' en ''zwenghout''. De in het vorige lemma onderscheiden typen eegdhaam, eeghaam, eghaam en hun varianten zijn hieronder meestal door ''eghaam'' resp. ''eghaam'' gesubstitueerd. [.IG 1b + 1c + 2c; N 11A, 103d; N 13, 57 + 58; div.; monogr.]
I-2
|
| 30332 |
vensterluiken |
vensters:
vę ̝nstǝrs (L115p Mook)
|
Zie kaarten. De houten panelen die draaiend aan de buitenkant van het huis aan beide zijden van het raam zijn aangebracht. Er bestaan ook losse vensterluiken die 's avonds voor het raam worden geplaatst en 's morgens weer verwijderd worden. Zie voor het woordtype 'vensters' ook Van Keirsbilck I pag. 466 s.v. 'venster': ø̄Ook dikwijls gebruikt in den zin van een beweeglijk luik vóór een venster, aan den buitenkant.ø̄ [N 55, 65a; A 23, 18a; A 46, 11a; L 1 a-m; L 32, 75b; L 1u, 17; L B1, 155; L A2, 409; rnd 49 add.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 19597 |
vergiet |
doorslag:
dörslag (L115p Mook)
|
Vergiet. Hoe noemt men de van gaten voorziene schotel (gemaakt van aardewerk, email of blik), die wordt gebruikt om b.v. gewassen groente te laten uitdruipen? [DC 14 (1946)]
III-2-1
|
| 32577 |
verteerde mest |
bedorven stro:
bǝdø̜rǝvǝ strǫi̯ (L115p Mook),
korte mest:
kǫrtǝ [mest] (L115p Mook),
oude koemest:
āu̯ǝ kui̯mēst (L115p Mook),
verbrand mest:
vǝrbrānt [mest] (L115p Mook),
verschimmelde mest:
vǝrsxymǝldǝ mēst (L115p Mook)
|
De termen in dit lemma zijn voor het merendeel van toepassing op mest die lange tijd het onderste of het binnenste deel van de mesthoop heeft gevormd en daardoor goed verteerd is: mest van hoge kwaliteit, die gemakkelijk in kleine delen uiteenvalt. Het onderste uit de mestkuil is vaak zo brokkelig dat het niet met de riek kan worden opgenomen. Deze mest wordt veelal als weidemest gebruikt. Voor sommige termen zie men dan ook het lemma compost. De termen aan het einde van het lemma hebben betrekking op oude, uitgedroogde mest die zijn kwaliteit grotendeels verloren heeft. [N M, 10a; N 11, 27 add.; N 11A, 4a + 4c + 36 + 37; JG 1a + 1b add; div.]
I-1
|