| 17627 |
hals |
haus:
hô.s (Q252p Moresnet)
|
hals [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 17660 |
handen (spotnamen) |
klauwen:
klau.ə (Q252p Moresnet),
knoken:
knø͂ͅə.k (Q252p Moresnet),
poten:
puətə (Q252p Moresnet)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17662 |
handpalm |
palm:
pőͅ:m (Q252p Moresnet)
|
palm van de hand [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 25056 |
handvol |
handvol:
hā.f(ə)l (Q252p Moresnet)
|
handvol [ZND m]
III-4-4
|
| 32934 |
handvol hooi, pluk hooi |
watsch (du.):
w˙atš (Q252p Moresnet),
wis:
we.š (Q252p Moresnet)
|
De kleine hoeveelheid hooi die men met de handen kan oppakken. Soms wordt uitdrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de pluk hooi die men in de hand pakt en de hoeveelheid die men in de armen kan nemen, bij voorbeeld in L 295: een "tuske" is zoveel als men in de handen kan nemen, en een "ervel" is zoveel als men in de armen kan nemen; in Q 200, 247 en 247a is dit respectievelijk een "floes" en een "wis". Soms geven diminutiva aanleiding tot klankschilderende woorden; ze staan achter in het lemma bijeen. [N 14, 116; N 14, 131 add.; monogr.]
I-3
|
| 33310 |
hark, algemeen |
reek:
rē̜ǝ.k (Q252p Moresnet),
reekje:
rē̜ǝkskǝ (Q252p Moresnet)
|
Gereedschap dat dient om uitgetrokken onkruid bijeen te trekken, afgevallen bladeren te verzamelen, de tuinpaden, het erf en het grind aan te harken, de grond fijn te maken, enz. Het bestaat uit een ijzeren kam van doorgaans ongeveer 30 cm breedte met korte licht gebogen tanden, bevestigd aan een lange steel. Bedoeld is hier het algemene stuk gereedschap dat met name in de moestuin en op het erf wordt gebruikt voor de vele boven opgesomde doeleinden. Specifieke harken met eigen benamingen komen in het lemma Bijzondere Harken aan bod. [N 18, 94; JG 1a, 1b, 2c; A 2, 44; A 28, 1a; A 34, 2a; L 1, a-m; L B2, 239; Lu 6, 1a; S 12; Gwn 8, 4; monogr.; add uit N 14, 97b; N 15, 4; N 18, 93 en 95; N J, 5]
I-5
|
| 33309 |
harken, werken met de hark |
reken:
ręǝ.kǝ (Q252p Moresnet)
|
Zie de toelichting bij het lemma Hark, Algemeen. Object van kleinmaken is: kluiten, harde grond; object van zuivermaken is: het bed, de tuin. [JG 1a, 1b; A 28, 1b; L 1, a-m; Lu 6, 1b; S 12; monogr.; add. uit N 15, 3]
I-5
|
| 33825 |
harmonisch van bouw |
kort ineengehouwen:
kø̜t enējǝhou̯ǝ (Q252p Moresnet)
|
Gezegd van een goed gebouwd paard, met korte, gesloten en gevulde flanken. [N 8, 64a]
I-9
|
| 32977 |
haver |
haver:
hávǝr (Q252p Moresnet)
|
Avena sativa L. Men zaait ongeveer 200 kg haver per hectare. Zie afbeelding 1, b. [JG 1a, 1b; A 2, 31; L 35, 101; L lijst graangewassen, 3; Wi 50; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 18015 |
hees, schor |
gram:
grâ.m ziə (Q252p Moresnet)
|
schor, schor zijn [ruigsen, hees, gees zijn] [N 10 (1961)]
III-1-2
|