| 33236 |
knolraap, raap |
raapje:
rǭpkǝ (P181p Muizen),
rapen:
rǭpǝ (P181p Muizen)
|
Brassica rapa L. var. rapa. Knolraap is de gekweekte knol van de plant met de naam raapzaad, die een radijsachtige smaak heeft en doorgaans als veevoeder wordt geteeld, maar ook werd gegeten. Vergelijk ook de toelichting bij het lemma Koolraap (Bovengronds). De knollen zijn wit en hebben de grootte van een appel; het bovenste randje van de knol is vaak purperkleurig. Vaak worden ze in het stoppelveld gezaaid, na de graanoogst. De antwoorden zijn in het meervoud gegeven, behalve voor de verkleinvorm raapje dat aan het einde van het lemma is toegevoegd. [N 7, 16; N 12, 40; N 12A, 4b; JG 1b, 2c; L 6, 3a; L 41, 1; Wi 5; R 3, 31; monogr.; add uit N 12, 41 en Goossens 1963, kaart 20]
I-5
|
| 33237 |
knolvoer, rapen (coll.) |
rapen:
rōpǝ (P181p Muizen)
|
Rapen in het algemeen, als groenvoer of als ingekuild voer voor het vee gebruikt; herfstknollen. [N 12A, 4a; JG 1b, 2c; monogr.; add. uit N 11A, 29f en 29g; N 12, 40, N Q, 11a]
I-5
|
| 19350 |
knorrepot |
knorpot:
eene knorpot (P181p Muizen)
|
Een lastig persoon, een knorpot (greef?). [ZND 35 (1941)]
III-1-4
|
| 17880 |
knuppel, knots |
knuppel:
knöpəl (P181p Muizen),
stok:
stɛk (P181p Muizen)
|
knuppel [RND]
III-1-2
|
| 34058 |
koe |
koe:
kā (P181p Muizen)
|
Volwassen vrouwelijk rund, in de regel een rund dat één of meerdere keren gekalfd heeft. Zie afbeelding 5. Op de kaart is het woordtype koe niet opgenomen. [JG 1a, 1b; A 3, 37; A 4, 11; Gwn V, 2a; L 1a-m; L 4, 37; L 5, 27b; L 7, 61b; L 14, 26 en 88; L 20, 11; L 27, 5 en 57; L 29, 44; L 38, 44; L 40, 21b; L 44, 16, 21a en 39; R 12, 29; R (s]
I-11
|
| 32568 |
koekenhort, vlaaienhort |
wis:
wis (P181p Muizen)
|
Doorgaans van witte wissen gevlochten onderzetter, waarop vers gebakken vlaaien of pannenkoeken worden gelegd om af te koelen. [N 40, 97; N 40, 118; N 40, add.; L 1u, 100; L 1a-m; L 35, 107; monogr.]
II-12
|
| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kówkə (P181p Muizen)
|
koken [RND]
III-2-3
|
| 19636 |
kolengruis |
stukkolen:
stukkolen (P181p Muizen)
|
gruis van kolen [ZND 35 (1941)]
III-2-1
|
| 17813 |
komen |
komen:
koumə (P181p Muizen)
|
komen [RND]
III-1-2
|
| 33606 |
komkommer |
komkommer:
koemkoemmer (P181p Muizen)
|
[ZND 41 (1943)]
I-7
|