| 18268 |
want |
duimhaas:
een duimhaas (P181p Muizen)
|
want, handschoen waarvan de vier vingers samen zitten [ZND 35 (1941)]
III-1-3
|
| 22860 |
weddenschap |
wedding:
widiŋ (P181p Muizen)
|
weddenschap [RND]
III-3-2
|
| 18166 |
weer genezen |
weer effen:
wier effen (P181p Muizen)
|
hij is weer op zijn effen (weer genezen) [ZND 34 (1940)]
III-1-2
|
| 21247 |
weg |
baan:
bōͅn (P181p Muizen)
|
weg [RND]
III-3-1
|
| 33663 |
wei |
wei:
wei̯ (P181p Muizen)
|
In het algemeen een stuk weiland of grasweide waar het vee graast. Bedoeld is een niet-omheinde weide. [N 14, 50a; N 14, 50b; N 5AøIIŋ, 76d; N 5AøIIŋ, 76e; N M 4a; L 19B, 2a!; L A2, 430; L 4, 40; L 32, 45; JG 1b, 1d, 2c; A 10, 3; A 3, 40; RND 20; Wi 4; R; S 43; Vld.; N 14, 129 add.; monogr.]
I-8
|
| 32969 |
welig, gelp |
fel:
fel (P181p Muizen)
|
Opgaven voor de uitdrukking "de tarwe groeit welig, staat gelp". Derf betekent eigenlijk "ongaar, onrijp". [L 35, 61; monogr.]
I-4
|
| 32744 |
wendakkerhoeken |
hoeken:
de volgende opgaven zijn enkelvoud
huk (P181p Muizen)
|
Bij het ploegen van de keerstrook of wendakker blijft, behalve als men na elke voor bij het keren de ploeg terugtrekt en aan de kant inzet, aan beide zijden van de wendakker een vierkant of rechthoekig keerstrookje over, dat thans vaak onbewerkt blijft, maar vroeger veelal met de schop (soms met de riek) werd omgewerkt. Een enkele keer diende het voor een ander gewas dan op de rest van de akker verbouwd werd. [N 11, 50b; N 11A, 125c; A 33, 7; N P, 1]
I-1
|
| 17597 |
wenkbrauw |
wenkbrauw:
wenkbrooen (P181p Muizen)
|
dikke wenkbrauwen (haarbogen op het voorhoofd) [ZND 34 (1940)]
III-1-1
|
| 19132 |
werken |
werken:
wirəkə (P181p Muizen)
|
werken [RND]
III-3-1
|