| 26417 |
groot kamrad |
kamrad:
kamrad (Q022p Munstergeleen)
|
Het grote verticaal geplaatste kamwiel aan de molenas van de watermolen dat tot taak heeft de draaiende beweging van de as over te brengen op een spijlenrad. Het kamwiel kan zowel van hout als van metaal zijn vervaardigd. Het kamrad zet in de meeste watermolens uit het onderzoeksgebied een horizontaal kamrad, het zgn. kleine kamrad, in beweging. Een aantal meter boven dit rad bevindt zich op dezelfde as het grote kroonwiel dat op zijn beurt de twee of vier rondsels doet draaien. Zie ook het lemma ɛaswielɛ. Het betreft daar materiaal met betrekking tot het vergelijkbare kamwiel in windmolens.' [Vds 79; Jan 99; Coe 79; Grof 98; N O, 11a; A 42A, 8; monogr.; N D, 26]
II-3
|
| 20346 |
grootmoeder |
besje:
bɛškə (Q022p Munstergeleen),
bestemoeder:
bēͅstəmōdər (Q022p Munstergeleen),
grootmoeder:
groitmooder (Q022p Munstergeleen)
|
grootmoeder [DC 05 (1937)], [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 20345 |
grootouders |
besteouders:
bēͅstəau̯əs (Q022p Munstergeleen),
grootouders:
groatau̯əs (Q022p Munstergeleen)
|
grootouders [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 25007 |
grootte |
grootte:
greùtte (Q022p Munstergeleen)
|
grootte [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 20288 |
grootvader |
bestevaar:
cf. VD s.v. "bestevaar
bēͅstəvār (Q022p Munstergeleen),
bestevader:
bēͅstəvādər (Q022p Munstergeleen),
grootvader:
groat˃vādər (Q022p Munstergeleen)
|
grootvader [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 25004 |
grootx |
groot:
gróat (Q022p Munstergeleen)
|
groot [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
| 25060 |
grote hoeveelheid, hoop |
hoop:
houp (Q022p Munstergeleen),
hopen (mv.):
huip (Q022p Munstergeleen)
|
hoop [SGV (1914)] || hoopen (mv.) [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 18872 |
gruwelijk |
vreselijk:
vreizelik (Q022p Munstergeleen)
|
gruwelijk [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 19082 |
guit |
snaak:
sjnaak (Q022p Munstergeleen)
|
guit [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 21331 |
gulden |
gulden:
guije (Q022p Munstergeleen)
|
gulden [SGV (1914)]
III-3-1
|