| 34465 |
krielkip |
krieltje:
krilkǝ (Q117p Nieuwenhagen)
|
Een krielkip is een soort kleine kip. [N 19, 42; monogr.]
I-12
|
| 22351 |
krijgertje spelen |
nalopertje spelen:
nōͅl"pərkə sjpīələ (Q117p Nieuwenhagen),
tikkertje spelen:
tekərke sjpīələ (Q117p Nieuwenhagen)
|
Het spel waarbij één kind anderen tracht in te halen en dan te tikken, waarna de getikte weer de vangman is (ook op dit spel bestaan talloze varianten; misschien kunt u die ook vermelden: de naam en hoe het gespeeld werd) [letsen, hets geven, hetske jagen [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 24198 |
krijsen |
keken:
kaekə (Q117p Nieuwenhagen),
krijsen:
krīēəsjə (Q117p Nieuwenhagen)
|
een hard schreeuwend geluid maken, gezegd van vogels (kèken, krijsen) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 21501 |
krijt |
knijt:
knīt (Q117p Nieuwenhagen)
|
Het krijt dat wordt gebruikt bij het aftekenen en soms ook bij het ontvetten van materiaal. [N 64, 82b]
II-11
|
| 17861 |
krioelen |
wemelen:
wīēëmələ (Q117p Nieuwenhagen),
zich heven:
[sic]
zich hēēëvə (Q117p Nieuwenhagen)
|
Krioelen: zich in alle richtingen dooreen bewegen (event. met veel lawaai) (krioelen, broeliën, krielen, kriewelen, kriemelen, wriemelen, wriemelen, grimmelen, wemelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18071 |
kroep |
kroep:
krŏĕp (Q117p Nieuwenhagen)
|
Kroep: ontsteking van het strottehoofd en de luchtpijp die door afzettingen op het slijmvlies gevaar van verstikking met zich meebrengt (kroep, krop, pip). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17579 |
kroeshaar |
kroeskop:
kroeskop (Q117p Nieuwenhagen),
negerhaar:
negerjoar (Q117p Nieuwenhagen)
|
kroeshaar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20136 |
krollen |
gejank:
WBD/WLD
gejànk (Q117p Nieuwenhagen)
|
Hoe noemt u het geluid van een krolse vrouwelijke kat [N 83 (1981)]
III-2-1
|
| 20120 |
krols |
loops:
leups (Q117p Nieuwenhagen),
lø̄pš (Q117p Nieuwenhagen)
|
loops, geslachtsdriftig ve kat [N 19 (1963)], [N C (1962)]
III-2-1
|
| 25010 |
krom, met bochten |
krom:
krŏmp (Q117p Nieuwenhagen),
scheef:
schjeef (Q117p Nieuwenhagen)
|
afwijkend van een rechte lijn met een of meer bochten [krom, kromp, slom] [N 91 (1982)] || krom (kromp, slom) [DC 35 (1963)]
III-4-4
|