| 24450 |
kleinste dier van het nest |
krakkel:
Veldeke
krakkel (L322a Nunhem)
|
Hoe noemt u het kleinste, jongste, zwakste dier van een nest [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 29433 |
kleiput |
leemberg:
lęjmbę ̞rǝx (L322a Nunhem),
leemskuil:
lęjmskūl (L322a Nunhem)
|
Delfplaats waar klei als grondstof voor de fabricage van bakstenen met de hand wordt gestoken of met behulp van machines wordt afgegraven. [N 98, 17; monogr.]
II-8
|
| 29620 |
kleisteker |
leemlader:
lęjmlājǝr (L322a Nunhem),
leemsteker:
lęjmštē̜kǝr (L322a Nunhem)
|
Arbeider die de klei voor bakstenen, dakpannen en greswaren steekt en in voorkomende gevallen ook op het vervoermiddel laadt. [N 98, 28; monogr.]
II-8
|
| 29644 |
kleivoorraadplaats |
leembult:
lęjmbølt (L322a Nunhem),
leemshoop:
lęjmshǫwp (L322a Nunhem)
|
Plaats op het fabrieksterrein waar men de gestoken klei opslaat. De klei ondergaat daarbij al een eerste menging doordat de verschillende kleisoorten door elkaar gestort worden. Bovendien wordt de grondstof blootgesteld aan de invloed van regen en vorst waardoor ze mals wordt. [N 98, 59; monogr.]
II-8
|
| 18626 |
klep (van pet) |
klep:
klip (L322a Nunhem)
|
klep van een pet [luif, luifel] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18200 |
klepbroek |
boks met een paan:
bóks mit en pan (L322a Nunhem)
|
broek met een sluitklep aan de voorkant [klepboks] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 21353 |
kletsen |
wazelen:
WNT: wazelen, In Limb. dial. Vgl. bazelen en wauwelen. Onzin vertellen, kletsen zonder inhoud, bazelen, wauwelen, leuteren.
wazele (L322a Nunhem),
zwegelen:
WNT: zwegelen (I), 2. Onzin uitslaan, kletspraat verkoopen; grootspreken, opscheppen. a) Zwammen, zaniken, kletsen; b) Bluffen, snoeven, opscheppen; c) Schertsende, plagende opmerkingen maken.
sjwaegele (L322a Nunhem),
zwetsen:
Van Dale: zwetsen, luidruchtig en onbedachtzaam spreken, m.n. grootspreken, snoeven.
zjwetse (L322a Nunhem)
|
praten over dingen van weinig belang [zwetsen, kletsen, snateren, klappen, snabbelen, wauwelen, teuten, kebbelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 33997 |
kletsoor |
slag:
slāx (L322a Nunhem)
|
Dun eindje touw of leer aan het uiteinde van het snoer van de zweep dat bij het slaan een knallend geluid maakt. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 13, 95c; L B2, 245; L 8, 142; R 14]
I-10
|
| 21337 |
kletswijf |
kletstante:
kletstant (L322a Nunhem),
taats:
Van Dale: taats, 4. (Barg., volkst., in deze bet. ook taas) hoofd.
taatsj (L322a Nunhem)
|
een vrouw die veel babbelt [klappei, kwek, kommeer, blameer, viswijf] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 29825 |
klezoor |
klezoor:
klatš˱ūr (L322a Nunhem)
|
Het vierde deel van een metselsteen. Een klezoor kan door de metselaar worden gemaakt door met de troffel een deel van een metselsteen af te slaan. Daarnaast worden klezoren ook in het juiste formaat door steenfabrieken vervaardigd. Ze dienen tot het verkrijgen van een deugdelijk metselverband. [N 31, 19c; monogr.]
II-8
|