| 24546 |
paardezuring |
surelle (fr.):
serel (Q033p Oirsbeek)
|
Paardezuring (rumex aquaticus). De onderste bladeren zijn aan hun voet, bij de bladsteel, diep ingesneden (hartvormig). De bloemdekslippen, die de vruchtjes omgeven, hebben geen van alle een knobbeltje aan hun voet. De onderste bladeren hebben een iets op [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 33339 |
paardsknecht, eerste knecht |
meesterknecht:
meesterknecht (Q033p Oirsbeek),
paardsknecht:
pɛ̄š[knecht] (Q033p Oirsbeek)
|
Bij grote bedrijven was er vaak een eerste en een tweede paardsknecht; de eerste ploegde, egde, enz.; de tweede deed meer het vuile werk: mest rijden, stallen schoonmaken enz. (L 322). Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht, algemeen" (1.3.12). [N M, 1a; monogr.]
I-6
|
| 23325 |
paasavond |
paasavond:
poaschavent (Q033p Oirsbeek)
|
paaschavond [SGV (1914)]
III-3-3
|
| 33320 |
pacht, vruchtgebruik |
pacht:
paxt (Q033p Oirsbeek),
tuis:
tǫu̯s (Q033p Oirsbeek)
|
Onder pacht worden drie samenhangende betekenissen verstaan: 1. hetgeen de pachter betaalt: "de pacht betalen"; 2. het vruchtgebruik van de grond: "grond in pacht hebben"; 3. het contract: "de boer heeft nog twee jaar pacht". Tocht hangt, evenals de nevenvorm tucht, oorspronkelijk samen met trekken in de betekenis "telen"; leeftocht is dan "tocht ("vruchtgebruik, pachtcontract") voor het leven". Aan tuis, vergelijk Mnl. tuuscen "dobbelen; bedriegen; ruilen", correspondeert Du. tauschen. Belading en belader corresponderen met belasting. Het feest van Sint Remeis of Sint Remigius, wiens naamdag naar de Romeinse kalender op 1 oktober valt, wordt wel de "huurdag der boerenknechten en meiden" genoemd (naar Jongeneel, 54). Bij boermeste: pachtvergoeding in natura; in plaats van een pachtsom te betalen, mocht de boer het onderhavige land voor één jaar gebruiken, mits hij voor eigen rekening het land een goede organische bemesting gaf. [L 14, 6; L 32, 101; Wi 18; monogr.]
I-6
|
| 21689 |
pacht? |
pacht:
de pacht (Q033p Oirsbeek)
|
pacht, het bedrag dat men jaarlijks betaalt, b.v. voor een bank in de kerk [de paacht?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33333 |
pachtboer |
halfe:
hau̯fǝ (Q033p Oirsbeek),
pachter:
pęxtǝr (Q033p Oirsbeek)
|
Halfer e.d. vanwege de helft, die de pachter van de oogst kon behouden. [S 27; Wi 2; monogr.; add. uit A 10, 2bI]
I-6
|
| 21690 |
pachten |
pachten:
pechte (Q033p Oirsbeek),
pęxtǝ (Q033p Oirsbeek)
|
[S 27; monogr.]pachten [werkwoord] [paachte?] [N 21 (1963)]
I-6, III-3-1
|
| 33334 |
pachtersvrouw |
halferse:
hau̯fǝšǝ (Q033p Oirsbeek),
pachtster:
pęxstǝr (Q033p Oirsbeek)
|
[S 27, Wi 2; monogr.]
I-6
|
| 24362 |
pad |
kroddel:
krod del (Q033p Oirsbeek),
kroddel (Q033p Oirsbeek)
|
pad [DC 07 (1939)] || pad (dier) [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 33037 |
pad aanmaaien |
(baan, jaan) inhouwen:
(baan, jaan) inhouwen (Q033p Oirsbeek)
|
Zie het voorgaande lemma; hier de werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. [monogr.; add. uit N 15, 25b]
I-4
|