e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
manken hompelen: hoempelen (Opglabbeek), manken: màng.kə (Opglabbeek) Gebrekkig lopen door bijv. ongelijke lengte van de benen (hompe(le)n, manken, lammen, mank lopen). [N 107 (2001)] || Gebrekkig lopen door bijv. ongelijke lengte van de benen (honkelen, lammen, knakken). [N 84 (1981)] III-1-2
mankeren mankeren: mankéértstə wát (Opglabbeek), schelen: sjééltər wát (Opglabbeek) Mankeren: mankeren, schelen (schelen, mankeren, het hebben). [N 84 (1981)] III-1-2
mannelijk jong van de geit bok: būk (Opglabbeek), geitenbokje: gē̜i̯tǝbɛkskǝ (Opglabbeek) [N 19, 71b; N 19, 71a; N 77, 76; A 9, 21] I-12
mannelijk kalf varrenkalf: varǝ[kalf] (Opglabbeek), varretje: varkǝ (Opglabbeek) [N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.] I-11
mannelijk kalf dat van tanden begint te wisselen jaarling: jǭrleŋ (Opglabbeek) Algemeen kan men zeggen dat het hier gaat om een kalf van ongeveer één jaar oud. [N 3A, 16; add. uit N 3A, 15] I-11
mannelijk kuiken haantje: hē̜nkǝ (Opglabbeek), hē̜ntjǝ (Opglabbeek) [N 19, 41b; L A2, 507] I-12
mannelijk schaap bok: bok (Opglabbeek), buk (Opglabbeek), ram: ram (Opglabbeek), schaapsbok: sxē̜psbuk (Opglabbeek), šobzbok (Opglabbeek), š˙ōbsbok (Opglabbeek), schapenbok: sxāpǝbok (Opglabbeek), weer: wē̜r (Opglabbeek) Het mannelijk schaap in het algemeen. Varianten van het woordtype hamel die voor "mannelijk schaap" zijn opgegeven, zijn naar het lemma ''gesneden mannelijk schaap'' (2.2.5) overgeheveld. [L 5, 30b; L 20, 22a; L 39, 44; L 6, 25; L B2, 319; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 2, 46; A 4, 22a; Wi 12; AGV, m 3; R 3, 34; VLD; S, Q 105 add.; monogr.] I-12
mannelijke duif hoorn: hy(3)̄rəŋ (Opglabbeek), mannetje: meͅnəkə (Opglabbeek) Doffer. [Goossens 1a (1955)] || Een doffer (mannelijke duif). [ZND 01u (1924)] III-3-2
mannelijke eend wenderik: wenǝrek (Opglabbeek), we‧nərək (Opglabbeek), wē̜.nǝrek (Opglabbeek), wiele: wilǝ (Opglabbeek), wieler: wi‧lə (Opglabbeek) [GV, K 2; L 1a-m; L 3, 3; L 14, 18; JG 1a, 1b, 2c; S 18; NE II, 55; Vld.; A 6, add.; monogr.]woerd, mannetjeseend [ZND 01 (1922)] I-12, III-4-1
mannelijke gans haan: hā.n (Opglabbeek), mannetje: mɛnǝkǝ (Opglabbeek) [A 6, 5a; A 6, 5c; S 9; L 1a-m; L 1, 59; L 14, 20; JG 1a, 1b; monogr.] I-12