| 18148 |
manken |
hompelen:
hoempelen (L416p Opglabbeek),
manken:
màng.kə (L416p Opglabbeek)
|
Gebrekkig lopen door bijv. ongelijke lengte van de benen (hompe(le)n, manken, lammen, mank lopen). [N 107 (2001)] || Gebrekkig lopen door bijv. ongelijke lengte van de benen (honkelen, lammen, knakken). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17984 |
mankeren |
mankeren:
mankéértstə wát (L416p Opglabbeek),
schelen:
sjééltər wát (L416p Opglabbeek)
|
Mankeren: mankeren, schelen (schelen, mankeren, het hebben). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 34449 |
mannelijk jong van de geit |
bok:
būk (L416p Opglabbeek),
geitenbokje:
gē̜i̯tǝbɛkskǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 19, 71b; N 19, 71a; N 77, 76; A 9, 21]
I-12
|
| 34051 |
mannelijk kalf |
varrenkalf:
varǝ[kalf] (L416p Opglabbeek),
varretje:
varkǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 3A, 15; N C, 7a; JG 1a, 1b; A 9, 17a; Gwn V, 5a; monogr.]
I-11
|
| 34052 |
mannelijk kalf dat van tanden begint te wisselen |
jaarling:
jǭrleŋ (L416p Opglabbeek)
|
Algemeen kan men zeggen dat het hier gaat om een kalf van ongeveer één jaar oud. [N 3A, 16; add. uit N 3A, 15]
I-11
|
| 34476 |
mannelijk kuiken |
haantje:
hē̜nkǝ (L416p Opglabbeek),
hē̜ntjǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 19, 41b; L A2, 507]
I-12
|
| 34393 |
mannelijk schaap |
bok:
bok (L416p Opglabbeek),
buk (L416p Opglabbeek),
ram:
ram (L416p Opglabbeek),
schaapsbok:
sxē̜psbuk (L416p Opglabbeek),
šobzbok (L416p Opglabbeek),
š˙ōbsbok (L416p Opglabbeek),
schapenbok:
sxāpǝbok (L416p Opglabbeek),
weer:
wē̜r (L416p Opglabbeek)
|
Het mannelijk schaap in het algemeen. Varianten van het woordtype hamel die voor "mannelijk schaap" zijn opgegeven, zijn naar het lemma ''gesneden mannelijk schaap'' (2.2.5) overgeheveld. [L 5, 30b; L 20, 22a; L 39, 44; L 6, 25; L B2, 319; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 2, 46; A 4, 22a; Wi 12; AGV, m 3; R 3, 34; VLD; S, Q 105 add.; monogr.]
I-12
|
| 21918 |
mannelijke duif |
hoorn:
hy(3)̄rəŋ (L416p Opglabbeek),
mannetje:
meͅnəkə (L416p Opglabbeek)
|
Doffer. [Goossens 1a (1955)] || Een doffer (mannelijke duif). [ZND 01u (1924)]
III-3-2
|
| 24204 |
mannelijke eend |
wenderik:
wenǝrek (L416p Opglabbeek),
we‧nərək (L416p Opglabbeek),
wē̜.nǝrek (L416p Opglabbeek),
wiele:
wilǝ (L416p Opglabbeek),
wieler:
wi‧lə (L416p Opglabbeek)
|
[GV, K 2; L 1a-m; L 3, 3; L 14, 18; JG 1a, 1b, 2c; S 18; NE II, 55; Vld.; A 6, add.; monogr.]woerd, mannetjeseend [ZND 01 (1922)]
I-12, III-4-1
|
| 24206 |
mannelijke gans |
haan:
hā.n (L416p Opglabbeek),
mannetje:
mɛnǝkǝ (L416p Opglabbeek)
|
[A 6, 5a; A 6, 5c; S 9; L 1a-m; L 1, 59; L 14, 20; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|