e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
neger neger: neger (Opglabbeek), zwarte, een -: zwarte (Opglabbeek) neger [N 102 (1998)], [ZND 44 (1946)] III-3-1
nek nek: nek (Opglabbeek), neͅk (Opglabbeek), nɛk (Opglabbeek) nek [N 10b (1961)] || Nek: achterste deel van de hals [N 106 (2001)] || Zie afbeelding 2.12. [JG 1a, 1b] I-9, III-1-1
nemen, pakken nemen: nīemə (Opglabbeek), pakken: pakke (Opglabbeek), pakə (Opglabbeek) nemen [ZND 25 (1937)] || pakken [ZND A1 (1940sq)] III-1-2
nerf van de weide ris: res (Opglabbeek) Begroeide bovenlaag van wei- of hooiland; grasmat, graslaag. Zie ook de lemma''s ''nerf van de akker'' en ''groes'', ''met gras begroeide grond'' in de aflevering over de Landerijen. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) ''gras'' het lemma ''gras''. [N 14, 51; N 18, 12 add.; monogr.] I-3
nest nest: nöst (Opglabbeek) vogelnest III-4-1
nest, hoeveelheid jongen nest: WBD/WLD  nəst (Opglabbeek) Hoe noemt u de hoeveelheid jongen die een dier in één keer heeft (nest) [N 83 (1981)] III-4-2
nestkastje broedkastje: breeikèsche (Opglabbeek) vogelkastje: Hoe noemt u in uw dialect een kastje voor vogels om in te nestelen dat men aan het huis of een boom hangt? [N 100 (1997)] III-4-1
nestverlater steg: stègk (Opglabbeek), ze zeen stejk (Opglabbeek) beginnend uit te vliegen || jonge vogel in staat uit te vliegen [ZND 36 (1941)] III-4-1
neus neus: nāz (Opglabbeek), Gewoon.  nas (Opglabbeek) neus [N 10 (1961)] || Zijn neus snuiten. [ZND 07 (1924)] III-1-1
neus (spotnamen) gevel: gevəl (Opglabbeek), snuit: snyt (Opglabbeek) neus: spotbenamingen [snoet, snotkoker, fok, fokker, kokker, domphoren, gevel, foemp] [N 10 (1961)] III-1-1