e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
oord? oortje: ps. omgespeld volgens Frings.  ən īrkə (Opglabbeek) Betekenis en uitspraak van: oord? Graag uitspraak en betekenis. [N 21 (1963)] III-3-1
oorknop oorbel: uurbèl (Opglabbeek) sieraad min of meer in de vorm van een knop die men aan elk oor draagt [knop, oorknop, dormeuse] [N 86 (1981)] III-1-3
oorlel lel: lel (Opglabbeek), oorlel: y(3)̄rleͅl (Opglabbeek) oorlel, oorlelletje [N 10b (1961)] || Oorlel: afhangend lapje aan de oorschelp ((oor)lel, (oor)lelletje) [N 106 (2001)] III-1-1
oorring oorbel: ei pār y(3)̄rbeͅlə (Opglabbeek), ej pār ūrbeͅlə (Opglabbeek), ūūrbèl (Opglabbeek) een paar oorringen [ZND 40 (1942)] || zilveren of gouden ring die in elk van beide oren gedragen wordt [oorbel, bel, slinger] [N 86 (1981)] III-1-3
oorveeg dadel, enz.): y(3)̄erlap (Opglabbeek), draai: drèj (Opglabbeek), oorveeg: ūūrvéég (Opglabbeek) een muilpeer (geef gelijkbeteekenende woorden: oorvijg [ZND 01u (1924)] || Oorveeg: slag om de oren (raps, oorveeg, opneuker, mot, blamot, appelvlink, sabelets, pees, lap, draai, laps, klap, lek, konkel, fleer, hababbel). [N 84 (1981)] III-1-2
oorvormig handvat hengel: (van een zjàt)  hingel (Opglabbeek), oor: uur (Opglabbeek), ūūjr (Opglabbeek), oortje: iêrke (Opglabbeek), De moos det porseleine zjetsje möt het iêrke vastpakke  iêrke (Opglabbeek) een handvat || een handvatje || Oorvormig handvat van b.v. een kopje, pan, kan etc. (oor, handsvat, handvat) [N 79 (1979)] III-2-1
oorworm oorworm: uurwörm (Opglabbeek) oorworm III-4-2
op bedevaart gaan bedevaart gaan: bèvert guun (Opglabbeek), béévert guun (Opglabbeek), bedevaarten: béeeverte (Opglabbeek), vè gaon bèverte (Opglabbeek) Een bedevaart doen, op bedevaart gaan [beewegen, beevaarden, bèèverte]. [N 96C (1989)] || We gaan een bedevaart doen. [ZND 21 (1936)] III-3-3
op de loop gaan onder de voeten uitmaken: ōēnər də veet ūūtmààkə (Opglabbeek) vluchten: Op de loop gaan (biezen, vluchten, vlieden). [N 84 (1981)] III-1-2
op de markt verkopen markten: ps. omgespeld volgens Frings.  meͅrtə (Opglabbeek) verkopen, goederen op de markt gaan ~ [N 21 (1963)] III-3-1