| 32927 |
op oppers zetten, opperen |
op grote hopen zetten:
ǫp˱ grūtǝ hęi̯p ˲zętǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het bijeenwerken in de grootste soort hooihopen, oppers, die in het veld en direct op de grond, worden gemaakt; ze kunnen wel tot 3 meter hoog worden opgezet. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de opper, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van ø...ŋ verwezen naar de woordtypen van het lemma ''opper''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''opper''.' [N 14, 111; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|
| 21197 |
op reis gaan |
op reis gaan:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
óprijs gəgángd (L416p Opglabbeek)
|
op reis gegaan zijn [te mantij zijn] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 32920 |
op rijen zetten |
oproeden:
ǫprō.i̯ǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het uitgespreide gras dat de eerste droging heeft ondergaan bijeenwerken tot rijen of langwerpige heuveltjes. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi of gras. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de rij, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van (...) verwezen naar de woordtypen van het lemma ''rij, wiers''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''rij, wiers''. Achter in het lemma staan dan de werkwoorden bijeen die geen formeel verband met de benamingen voor de rij hebben. De kaart bevat de denominatieven van de heteroniemen voor rij, wiers en de werkwoordelijke uitdrukkingen met die heteroniemen, ook geordend zoals in het lemma ''rij, wiers''. [N 14, 100; JG 1b, 1c, 2c; A 10, 18; L 38, 36; monogr.]
I-3
|
| 32929 |
op ruiters zetten, ruiteren |
op bokken zetten:
ǫp bęk ˲zętǝ (L416p Opglabbeek),
op ruiters zetten:
ǫp [ruiters] ˲zętǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het bijeenzetten van het gedroogde hooi op houten stellages, doorgaans ruiters of bokken genoemd (zie het lemma ''hooiruiter''), zodat het zonder in contact met de bodem te staan, verder kan drogen, voordat het van het veld naar de boerderij wordt gebracht. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de hooiruiter, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van ø...ŋ verwezen naar de woordtypen van het lemma ''hooiruiter''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''hooiruiter''.' [N 14, 113b; JG 1b add.]
I-3
|
| 22368 |
op stelten lopen |
op stelten lopen:
də j-əs lōͅwpən op steͅlten (L416p Opglabbeek),
stelten:
steͅltə (L416p Opglabbeek)
|
De jongens lopen op stelten (stok met voetplankje). [ZND 07 (1924)] || Op stelten lopen [stelten]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21530 |
op wacht |
op wacht:
obwaxt (L416p Opglabbeek)
|
op wacht [ZND A1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 21880 |
opbrengst |
winst:
winst (L416p Opglabbeek)
|
dat wat iets bij verkoping oplevert, de opbrengst [schoor, winst] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 28631 |
opdoeken |
opdoeken:
opdōkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Een doek onder de korf steken. De uiteinden van de doek worden met pinnetjes of oognagels vastgezet aan de korfwand. Hierdoor verhindert men het wegvliegen van de bijen tijdens het reizen. [N 63, 104a; JG 2b-5, add.; monogr.]
II-6
|
| 28482 |
open broed |
jong broed:
jong broed (L416p Opglabbeek)
|
Broed dat nog niet afgesloten of verzegeld is. De toekomstige bij zit dan nog in het stadium van ei en larf. [N 63, 25a; N 63, 20a; N 63, 22c]
II-6
|
| 21548 |
openbare verkoop |
koopdag:
ophiege=bieden
kuipdag (L416p Opglabbeek),
ps. omgespeld volgens Frings.
kø͂ͅi̯bdāx (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
køͅi̯bdōx (L416p Opglabbeek),
schadegeld:
sjágəld (L416p Opglabbeek),
uitverkoop:
ps. omgespeld volgens Frings.
y(3)̄tfərkø͂ͅi̯p (L416p Opglabbeek),
y(3)̄tfərkøͅi̯p (L416p Opglabbeek)
|
een openbare verkoping aan de meest biedende; verkoping bij opbod bijv. van huizen, landerijen, groenten en fruit, vis, etc. [roep, veiling] [N 89 (1982)] || Hoe heet een openbare verkoping bij opbod? [ZND 41 (1943)] || openbare verkoping van goederen, huisraad vooral [koopdag, uitroep?] [N 21 (1963)] || openbare verkoping van onroerende goederen [N 21 (1963)]
III-3-1
|