| 34402 |
stoter |
bok:
buk (L416p Opglabbeek)
|
[N 77, 18]
I-12
|
| 18846 |
stoutmoedig |
stout:
op di-j vergadering wèèrde nogal stuit gespruke
stuit (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
driest, durvend
III-1-4
|
| 20534 |
stoven |
stoven:
staove (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
bakken; Hoe noemt U: Spijzen met boter of vet bereiden (kuinen) [N 80 (1980)] || stoven; Hoe noemt U: Met weinig vet op laag vuur gaar laten worden (smoeren, stoven, wallen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33805 |
straal |
straal:
strǭ.l (L416p Opglabbeek)
|
Veerkrachtig eeltweefsel, enigszins in de vorm van een pijlpunt (mnl. straal: pijl), dat de driehoekige ruimte van de achterrand van de steunsels van een paardehoef opvult. Tilt men de hoef op, moet er een goed ontwikkelde straal te zien zijn. Beginnend bij de bal van de voet en in één punt uitlopend naar de teen werkt de straal als een antislipmechanisme. Zie afbeelding 5. [JG 1a, 1b; N 8, 33 en 34]
I-9
|
| 33911 |
straalkanker |
kanker in de haarband:
kaŋkǝr en ǝ hǭrbant (L416p Opglabbeek),
kankerpoot:
kaŋkǝrpū.t (L416p Opglabbeek)
|
Straal- of hoefkanker is een kwaadaardige woekering in de hoorn van de straal of zoolhoefwand. Deze wordt week en rot en er ontstaan rode, licht bloedende tepeltjes of wratten, die een roodachtig, stinkend vocht afgeven. Uiteindelijk raakt de hele hoefschoen ondermijnd. Kanker komt bij een paard voornamelijk in de hoef voor. De ziekte is ongeneeslijk. Vgl. het lemma ''rotstraal'' (7.19). Zie afbeelding 23. [A 48A, 19; N 52, 32d en 90l]
I-9
|
| 21249 |
straat |
straat:
straat (L416p Opglabbeek)
|
Aan welke kant (zijde) van de straat woont ge? [ZND 44 (1946)]
III-3-1
|
| 19538 |
straatbezem |
berkenbezem:
bɛrkəbeͅsəm (L416p Opglabbeek),
bezem:
m.
bɛsəm (L416p Opglabbeek),
keerborstel:
kīərboͅrstəl (L416p Opglabbeek),
Ze hauwen hèèr al twiê kiêre gezagd, dat ze het hûs mees ûtkiêre
kiêrborstel (L416p Opglabbeek),
stijve bezem:
m.
stivə bɛsəm (L416p Opglabbeek)
|
bezem, hard, gebruikt voor ruwer werk, zowel binnen- als buitenshuis (harde bezem) [N 20 (zj)] || borstel; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || schoonmaakborstel
III-2-1
|
| 21213 |
straatgoot |
riool:
rīy(3)̄el (L416p Opglabbeek),
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
riool (L416p Opglabbeek)
|
De straatgoot langs de weg [ZND 24 (1937)] || een geul langs de weg waarlangs afvalwater kan wegstromen [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 32894 |
strekel, wetstok |
streek:
strīk (L416p Opglabbeek),
strīǝ.k (L416p Opglabbeek)
|
Het gaat in dit lemma over de houten strekel of wetstok, met uitsluiting van de cementen strekel en de wetsteen, die in de volgende lemma''s ter sprake komen. Voor vorm en gebruik van de strekel, zie de algemene toelichting bij deze paragraaf. Daar werd al opgemerkt dat het oorspronkelijke onderscheid tussen strekel en wetsteen welhaast is verdwenen. Daar het hier uitdrukkelijk over de houten strekel gaat, zijn de opgaven en aantekeningen als "steen die zo in de handel is" of "met cement eraan" ondergebracht bij wetsteen of cementen strekel; de opgaven voor "strekel" waarin het element "steen" voorkwam waren alle identiek aan de opgaven voor "wetsteen" in de betreffende plaats en zijn dan ook in het lemma ''wetsteen'' ondergebracht. Veel informanten hebben aangetekend dat de houten strekel "heel oud", "nu in ongebruik", "vroeger een eikehouten pen, thans een slijpsteen" (Q 211) was, of dat het "de oudere manier" van strijken was, die nu niet meer voorkomt. In een zevental plaatsen wordt opgemerkt dat men streek met de mathaak; het gaat hier kennelijk om het strijken van de zicht. Het betreft de opgaven mathaak in Q 179; zichtlat in P 197, Q 166 en 242, en zichthaak in P 224, Q 167 en 174. Zie afbeelding 9, nummer 3, waarop de strekel is vastgemaakt aan de steel van de zeis, zoals beschreven in de algemene toelichting bij de paragraaf over de zeis. Opvallend is de afwezigheid van materiaal in Zuidelijk Nederlands Limburg. Kennelijk zijn daar de strekel en het erbij horende zandblok ook uit de herinnering van de informanten verdwenen, of werd vanouds de zeis en de zicht met de wetsteen alleen gewet. Dit laatste werd bovendien in Belgisch Limburg uitdrukkelijk opgegeven in L 419, 423, 424, P 192, Q 6, 7, 10, 12, 13, 88, 91, 94, 155, 156, 157, 159, 170, 171, 172, 179 en 188. [N 18, 80; N 18, 67g; JG 1a, 1b; A 4, 28f; A 23, 16II; L 20, 28f; Lu 1, 16II; Gwn 7 add; monogr.]
I-3
|
| 18776 |
streng |
strang:
straŋk (L416p Opglabbeek),
streen:
strē̜n (L416p Opglabbeek),
stręn (L416p Opglabbeek),
streng:
strɛŋ (L416p Opglabbeek)
|
Een streng garen, een gewonden en veelal ineengedraaide bundel waarin garen in de handel komt. De woordtypen lood, half lood, loodje en onsje duiden op een bepaalde hoeveelheid gewicht garen. [N 62, 56c; L 7, 58; L 28, 14; Gi 1.IV, 25; MW; S 36; monogr.]
II-7
|