| 18777 |
streng garen [cf. wld ii.7: 24-25] |
strang:
nə straŋk gārən (L416p Opglabbeek),
streen:
stréén (L416p Opglabbeek),
Franse è
strèn (L416p Opglabbeek),
streng:
streŋ (L416p Opglabbeek),
streͅŋ (L416p Opglabbeek),
streͅŋən (L416p Opglabbeek),
wollen garen:
wòllə gààre (L416p Opglabbeek)
|
Aantal te samen gedraaide of gewonden bundel draden waarin garen in de handel komt (streng, streen, kluit) [N 79 (1979)] || Een streng garen. [ZND 07 (1924)] || Het wollen breigaren wordt in strengen verkocht: hoe heet zo een streng garen? [ZND 28 (1938)]
III-1-3
|
| 33971 |
strengbeugels |
hachtstaven:
haxtstē̜v (L416p Opglabbeek)
|
Beugels die de strengen met het haam of het borsttuig verbinden. Als deze verbinding uit haken bestaat, spreekt men van strenghaken (zie lemma Strenghaken). Een aantal informanten maakt in de benaming voor dit verbindingsstuk echter geen onderscheid tussen haken en beugels. De benamingen die voor haken én beugels in het algemeen zijn opgegeven, werden hier voorop geplaatst. [N 13, 59a]
I-10
|
| 29140 |
strengen |
hachten:
haxtǝ (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
karhachten:
karhaxtǝ (L416p Opglabbeek),
strengen:
stręŋǝ (L416p Opglabbeek),
strɛŋǝ (L416p Opglabbeek)
|
Aanvulling van het lemma strengen in wld I.10: kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. [N 17, 26; N 5A II, 59c; monogr.] || Kettingen of touwen waarmee een paard de kar of wagen trekt. Het ene uiteinde ervan zit aan de trekhaken van het haam of van het borsttuig vast, het andere aan de voorste schei of aan een haak in de berrie van de kar of wagen. De benamingen voor strengen die uit touw vervaardigd zijn, werden achteraan geplaatst. Bij het woordtype strengen is niet altijd mogelijk uit te maken of de opgegeven dialectvariant enkelvoud of meervoud is. Het lemma Veldstrengen, dat zijn strengen waarmee een paard een akkerwerktuig voorttrekt, is al eerder behandeld in WLD I, afl. 2, p. 178. [JG 1a, 1b, 2a, 2b, 2c; N 13, 57, 58a en 58b]
I-10, I-13
|
| 34591 |
strenghaken aan de berries |
haken van de achterhaam:
hē̜k ˲vanǝ axterhām (L416p Opglabbeek)
|
De twee haken aan de voorkant van de kar waarmee de kettingen van het achterhaam aan de berries bevestigd werden. Deze kettingen dienden om het paard de kar achteruit te laten duwen. Vergelijk het lemma strenghaken (haken die de strengen met het haam of het borsttuig verbinden) in wld I.10. [N 17, 40 + 99; JG 1a; monogr]
I-13
|
| 32649 |
strijkbord, riester |
riester:
rēstǝr (L416p Opglabbeek)
|
Het strijkbord, riester of rooster is het op de ploegschaar volgend ijzeren (vroeger houten) blad, dat de grond die door kouter en schaar is losgesneden, omkeert en in de vorige voor schuift. Men zie ook de toelichting bij het lemma ploegschaar. [A 26, 6; Lu 4, 6; JG 1a + 1b; N 11, 31.I.a; N 11A, 85d + 87b + 88b + 89c; monogr.]
I-1
|
| 19442 |
strijkijzer |
bout:
būūjt (L416p Opglabbeek),
boutje:
Het heeft te maken met bout Löt er op dat beitsje neet te heit weerd
beitsje (L416p Opglabbeek),
strijkijzer:
stri-jki-jzer (L416p Opglabbeek),
strĭĕjkĭĕzər (L416p Opglabbeek)
|
strijkijzer || Werktuig om linnengoed mee te strijken (strijkijzer, ijzer, strijkbout) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 22085 |
stro |
strooi:
strūi̯ (L416p Opglabbeek),
struu:
strȳǝ (L416p Opglabbeek)
|
Halmen van gedorst koren. De algemene benaming. Zie ook de toelichting bij paragraaf 6.4. [JG 1a, 1b, 2c; L 7, 60a; R [s], 6; S 36; Wi 4; monogr.; add. uit N 5, 83]
I-4
|
| 33126 |
stro binden |
binden:
bęnǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het uitgedorste stro wordt tot bussels samengebonden.Vergelijk ook het lemma ''schoven binden'' (4.6.2). Opgaven van het type "bussels maken" zijn hier niet opgenomen; het zelfstandig naamwoord is in het lemma ''bussel uitgedorst stro'' (6.1.27) opgenomen. [N 14, 25 en 28; monogr.]
I-4
|
| 33856 |
strompelend lopen bij het aantrekken |
stobbelen:
stobǝlǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 8, 62k, 73, 79 en 80]
I-9
|
| 33715 |
stronk, boomstronk |
boomstok:
bøǝmstok (L416p Opglabbeek),
post:
pǫst (L416p Opglabbeek),
soets:
sȳts (L416p Opglabbeek)
|
Wat blijft staan, de stomp met wortels, als een boom omgehakt is. [N 27, 8a; R 3, 2; Wi 11; L 7, 59; L B2, 343; Vld.; monogr.]
I-8
|