| 33230 |
suikerbiet |
suikerkroot:
sokǝrkrūǝt (L416p Opglabbeek)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 20543 |
suikerklontje |
klotje:
kletje (L416p Opglabbeek),
klétsje (L416p Opglabbeek),
klətjə (L416p Opglabbeek),
suiker:
Gewuunlik pak ich geine sòkker inne koffie
sòkker (L416p Opglabbeek)
|
klontje; Hoe noemt U: Een blokje suiker (klontje) [N 80 (1980)] || suikerklontje
III-2-3
|
| 20358 |
suikeroom |
suikernonk:
sòkkernònk (L416p Opglabbeek)
|
suikeroom
III-2-2
|
| 20260 |
suikertante |
suikertantje:
sòkkertentsje (L416p Opglabbeek)
|
suikertantje
III-2-2
|
| 23590 |
suisse |
suisse (fr.):
suise (L416p Opglabbeek)
|
De ordebewaarder in de kerk, de suisse [kerkgendarme, kèrksjanderm, tseijes?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17735 |
suizen van de oren |
tuiten:
min y(3)̄rə tytə (L416p Opglabbeek)
|
suizen van de oren [toewte, fluite] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17978 |
sukkelen |
in het sukkelstraatje beland zijn:
int siggəlstréétjə bəlánt (L416p Opglabbeek),
sukkelen:
siggelen (L416p Opglabbeek)
|
Sukkelen: aanhoudend ziek of niet gezond zijn, ziekelijk zijn (kwijpelen, plaaieren, op de sukkelbaan zijn, in het sukkelstraatje zijn). [N 84 (1981)] || Sukkelen: aanhoudend ziek of niet gezond zijn, ziekelijk zijn (sukkelen, krenkelen, kwakkelen, op de sukkelbaan zijn). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 28954 |
suçon, suçonnaad |
inkeping:
inkeping (L416p Opglabbeek)
|
Insnijding of inneming om lijn in een stuk te krijgen. Puntnaad in het algemeen. [N 59, 94a; monogr.]
II-7
|
| 20951 |
taai stuk vlees |
leren lap:
ein lère lap (L416p Opglabbeek),
leren thijs:
eine lèren Ti-js (L416p Opglabbeek),
taai:
tej (L416p Opglabbeek),
det is mè tejje keddel
tej (L416p Opglabbeek)
|
een stuk taai vlees of gebak || een taai stuk vlees of gebak || ongaar || taai
III-2-3
|
| 20704 |
taaie pannenkoek |
leren lap:
lēͅrə lap (L416p Opglabbeek),
leren thijs:
lèren ti-js (L416p Opglabbeek)
|
een taaie pannekoek b.v. gebakken zonder gist || Taaie pannekoek, zonder gist gebakken (leere ties, leere maria?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|