e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
tong tong: toŋ (Opglabbeek), z`n toeng is aangelaaie (Opglabbeek), zien toeng is aangelaajen (Opglabbeek), zin toͅŋ iz āngəlā`ə (Opglabbeek) tong [N 10b (1961)] || Zijn tong is aangeladen [ZND 32 (1939)] III-1-1
tong van een schoen tong: toeng (Opglabbeek) een strookje leer tussen de kleppen van een schoen [tong, lipje] [N 86 (1981)] III-1-3
toonbank toonbank: tūūnláṇk (Opglabbeek) de winkeltafel waarop de waren worden getoond of gelegd [toog, toonbank, gaam, bank] [N 89 (1982)] III-3-1
toot staart: start (Opglabbeek), tompen: tø̄mp (Opglabbeek) Elk van de uitstekende delen van de berries (bij de hoogkar) of de bakbomen (bij de slagkar) achter aan de kar. De opgaven van de woordtypen top, stoot en stots zonder meervoudsuitgang zijn als meervoudig ge√Ønterpreteerd wegens hun velair vocalisme. Door het ontbreken van een mogelijke enkelvoudige tegenopgave, is het echter mogelijk dat het hier om enkelvoudsopgaven gaat. Met het woordtype staart wordt het geheel aangeduid, in tegenstelling tot de andere woordtypen, waarmee elk deel afzonderlijk wordt benoemd. [N 17, 28 + 37a; N G, 59a; monogr] I-13
torenuurwerk klokkentoren: klokketuure (Opglabbeek) Het uurwerk in de kerktoren, de torenklok [kerkklok, kerkuur?]. [N 96A (1989)] III-3-3
torenvalk sperwer: sperrever (Opglabbeek), torenvalk: tyərəvalk (Opglabbeek) torenvalk || valk: torenvalk (34 bekende vogel met spitse vleugels; vliegt vrij langzaam; hangt vaak stil in de lucht en laat zich dan vallen om een muis o.i.d. te vangen; broedt in boomnest of in torens [N 09 (1961)] III-4-1
tornen losdoen: losdūn (Opglabbeek), trochelen: trǭxǝlǝ (Opglabbeek) De naad of steken losmaken en uithalen. [N 62, 22; A 4, 27b; L 20, 27b; Gi 1.IV, 20; MW; S 38] II-7
tortelduif roosduif: werd gehouden als middel tegen roos  ruusdûf (Opglabbeek), tortelduif: eͅin tortəldyf (Opglabbeek), tortelduif (Opglabbeek), toͅrtəldyf (Opglabbeek), toͅrtəldyəv (Opglabbeek, ... ) Een tortelduif. [ZND A1 (1940sq)] || lachduif || tortel (28 bekende zomervogel; slank en lichtbruin; nestje meestal in hoge struiken; roep [toerrrrr, toerrrrr] [N 09 (1961)] || tortelduif [ZND 08 (1925)] || Tortelduif. [ZND 08 (1925)] III-3-2, III-4-1
tot roven aanzetten aanzetten: aanzetten (Opglabbeek) Het door de imker uitgelokte roven. Soms weten imkers hun bijen bewust tot roven te brengen om daardoor zwermen van anderen te bemachtigen. In feite is dit diefstal. De informant uit L 333 zegt dat wel wordt beweerd dat dit aanzetten tot roof gedaan wordt, maar hij vindt het zelf nonsens. Een middel tot prikkelen zou volgens informanten alcohol, oude honing, suikerwater of kunstvoer kunnen zijn. [N 63, 67d; N 63, 67e] II-6
trage vrouw prats: pratsj (Opglabbeek) schimpig voor een nogal zwaarlijvig en doorgaans weinig ijverig vrouwmens III-1-4