| 17620 |
tong |
tong:
toŋ (L416p Opglabbeek),
z`n toeng is aangelaaie (L416p Opglabbeek),
zien toeng is aangelaajen (L416p Opglabbeek),
zin toͅŋ iz āngəlā`ə (L416p Opglabbeek)
|
tong [N 10b (1961)] || Zijn tong is aangeladen [ZND 32 (1939)]
III-1-1
|
| 18231 |
tong van een schoen |
tong:
toeng (L416p Opglabbeek)
|
een strookje leer tussen de kleppen van een schoen [tong, lipje] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 21382 |
toonbank |
toonbank:
tūūnláṇk (L416p Opglabbeek)
|
de winkeltafel waarop de waren worden getoond of gelegd [toog, toonbank, gaam, bank] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 34588 |
toot |
staart:
start (L416p Opglabbeek),
tompen:
tø̄mp (L416p Opglabbeek)
|
Elk van de uitstekende delen van de berries (bij de hoogkar) of de bakbomen (bij de slagkar) achter aan de kar. De opgaven van de woordtypen top, stoot en stots zonder meervoudsuitgang zijn als meervoudig geïnterpreteerd wegens hun velair vocalisme. Door het ontbreken van een mogelijke enkelvoudige tegenopgave, is het echter mogelijk dat het hier om enkelvoudsopgaven gaat. Met het woordtype staart wordt het geheel aangeduid, in tegenstelling tot de andere woordtypen, waarmee elk deel afzonderlijk wordt benoemd. [N 17, 28 + 37a; N G, 59a; monogr]
I-13
|
| 23300 |
torenuurwerk |
klokkentoren:
klokketuure (L416p Opglabbeek)
|
Het uurwerk in de kerktoren, de torenklok [kerkklok, kerkuur?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24256 |
torenvalk |
sperwer:
sperrever (L416p Opglabbeek),
torenvalk:
tyərəvalk (L416p Opglabbeek)
|
torenvalk || valk: torenvalk (34 bekende vogel met spitse vleugels; vliegt vrij langzaam; hangt vaak stil in de lucht en laat zich dan vallen om een muis o.i.d. te vangen; broedt in boomnest of in torens [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 29108 |
tornen |
losdoen:
losdūn (L416p Opglabbeek),
trochelen:
trǭxǝlǝ (L416p Opglabbeek)
|
De naad of steken losmaken en uithalen. [N 62, 22; A 4, 27b; L 20, 27b; Gi 1.IV, 20; MW; S 38]
II-7
|
| 22025 |
tortelduif |
roosduif:
werd gehouden als middel tegen roos
ruusdûf (L416p Opglabbeek),
tortelduif:
eͅin tortəldyf (L416p Opglabbeek),
tortelduif (L416p Opglabbeek),
toͅrtəldyf (L416p Opglabbeek),
toͅrtəldyəv (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
Een tortelduif. [ZND A1 (1940sq)] || lachduif || tortel (28 bekende zomervogel; slank en lichtbruin; nestje meestal in hoge struiken; roep [toerrrrr, toerrrrr] [N 09 (1961)] || tortelduif [ZND 08 (1925)] || Tortelduif. [ZND 08 (1925)]
III-3-2, III-4-1
|
| 28565 |
tot roven aanzetten |
aanzetten:
aanzetten (L416p Opglabbeek)
|
Het door de imker uitgelokte roven. Soms weten imkers hun bijen bewust tot roven te brengen om daardoor zwermen van anderen te bemachtigen. In feite is dit diefstal. De informant uit L 333 zegt dat wel wordt beweerd dat dit aanzetten tot roof gedaan wordt, maar hij vindt het zelf nonsens. Een middel tot prikkelen zou volgens informanten alcohol, oude honing, suikerwater of kunstvoer kunnen zijn. [N 63, 67d; N 63, 67e]
II-6
|
| 19363 |
trage vrouw |
prats:
pratsj (L416p Opglabbeek)
|
schimpig voor een nogal zwaarlijvig en doorgaans weinig ijverig vrouwmens
III-1-4
|