e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
uitwijken afzetten: ā.f˲zętǝ (Opglabbeek), haar (zn.): Note v.d. invuller:  háár (Opglabbeek) Als de weg smal is en er komt van de tegenovergestelde zijde een kar af, dan zullen beide voertuigen moeten uitwijken. [JG 1a, 1b; monogr.] || met paard en kar van het midden van de weg naar rechts wijken (afzetten) [N 90 (1982)] I-10, III-3-1
uitzetplanken latten: lɛt (Opglabbeek) De planken die men gebruikt bij het uitzetten van een te bouwen huis. De uitzetplanken worden horizontaal tegen de piketten gespijkerd. In Q 111 werkte men bij het uitzetten niet met planken, maar met een koord. [N 30, 24c] II-9
unster balans: bəlans (Opglabbeek) Weeginstrument met hefboomwerking. [N 18 (1962)] III-3-1
urine pis: pis (Opglabbeek), zeik: zę.i̯k (Opglabbeek) urine [N 10c (1995)] || Vloeibare ontlasting van vee. [N 38, 18d; JG 1a, 1b; monogr.] I-11, III-1-1
urineren pissen: pissen (Opglabbeek), zeiken: zeͅikə (Opglabbeek), zę.i̯kǝ (Opglabbeek), Dit is echt een grote hoeveelheid.  zeiken (Opglabbeek) urineren [N 10c (1995)] || Vloeibare ontlasting hebben, gezegd van vee. [N 38, 18b; JG 1a, 1b; monogr.] || zeiken [ZND A2 (1940sq)] I-11, III-1-1
vaalbonte koe vaal (bijvgl. nmw.): vāl (Opglabbeek) Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 131b] I-11
vaandel vlag: vlag (Opglabbeek) De aan de stok gedragen doek met de kleuren of emblemen van een vereniging of gilde [vaandel, vendel, vaan]. [N 88 (1982)] III-3-2
vaars rind: rɛntj (Opglabbeek), vaars: vē̜rs (Opglabbeek), vaarsje: vē̜rskǝ (Opglabbeek), vęi̯rskǝ (Opglabbeek) Jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft. [JG 1a, 1b; A 2, 38; A 4, 11; Gwn V, 6; L 8, 27; L 20, 11; R 3, 37; S 38 en 49; Wi 16; monogr.; add. uit N 3A, 20] I-11
vaatdoek schotelplag: sjutelplagk (Opglabbeek), schotelvod: sjutelvod (Opglabbeek), šyətəlvoͅt (Opglabbeek), dit woord gebruikt men hier  sjōētelvòd (Opglabbeek) Borstel waarmee potten en pannen gereinigd worden (borstel, schrobbertje) [N 79 (1979)] || vaatdoek || zo vet als een vaatdoek (schoteldoek) [ZND 08 (1925)] III-2-1
vademen invamen: envēmǝ (Opglabbeek), steken: stēkǝn (Opglabbeek), vamen: vamen (Opglabbeek) Een draad door het oog van een naald halen. In dit lemma zijn de objecten draad, garen, draad garen, vaam, vaam garen niet gedocumenteerd. [N 59, 68; N 62, 10; L 8, 29; L B1, 76; MW; monogr.] II-7