| 21133 |
uitwijken |
afzetten:
ā.f˲zętǝ (L416p Opglabbeek),
haar (zn.):
Note v.d. invuller:
háár (L416p Opglabbeek)
|
Als de weg smal is en er komt van de tegenovergestelde zijde een kar af, dan zullen beide voertuigen moeten uitwijken. [JG 1a, 1b; monogr.] || met paard en kar van het midden van de weg naar rechts wijken (afzetten) [N 90 (1982)]
I-10, III-3-1
|
| 30051 |
uitzetplanken |
latten:
lɛt (L416p Opglabbeek)
|
De planken die men gebruikt bij het uitzetten van een te bouwen huis. De uitzetplanken worden horizontaal tegen de piketten gespijkerd. In Q 111 werkte men bij het uitzetten niet met planken, maar met een koord. [N 30, 24c]
II-9
|
| 21387 |
unster |
balans:
bəlans (L416p Opglabbeek)
|
Weeginstrument met hefboomwerking. [N 18 (1962)]
III-3-1
|
| 17699 |
urine |
pis:
pis (L416p Opglabbeek),
zeik:
zę.i̯k (L416p Opglabbeek)
|
urine [N 10c (1995)] || Vloeibare ontlasting van vee. [N 38, 18d; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11, III-1-1
|
| 17700 |
urineren |
pissen:
pissen (L416p Opglabbeek),
zeiken:
zeͅikə (L416p Opglabbeek),
zę.i̯kǝ (L416p Opglabbeek),
Dit is echt een grote hoeveelheid.
zeiken (L416p Opglabbeek)
|
urineren [N 10c (1995)] || Vloeibare ontlasting hebben, gezegd van vee. [N 38, 18b; JG 1a, 1b; monogr.] || zeiken [ZND A2 (1940sq)]
I-11, III-1-1
|
| 34043 |
vaalbonte koe |
vaal (bijvgl. nmw.):
vāl (L416p Opglabbeek)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 131b]
I-11
|
| 22465 |
vaandel |
vlag:
vlag (L416p Opglabbeek)
|
De aan de stok gedragen doek met de kleuren of emblemen van een vereniging of gilde [vaandel, vendel, vaan]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 34061 |
vaars |
rind:
rɛntj (L416p Opglabbeek),
vaars:
vē̜rs (L416p Opglabbeek),
vaarsje:
vē̜rskǝ (L416p Opglabbeek),
vęi̯rskǝ (L416p Opglabbeek)
|
Jonge koe van ongeveer twee jaar die nog geen kalf heeft gehad of voor de eerste maal kalft. [JG 1a, 1b; A 2, 38; A 4, 11; Gwn V, 6; L 8, 27; L 20, 11; R 3, 37; S 38 en 49; Wi 16; monogr.; add. uit N 3A, 20]
I-11
|
| 19492 |
vaatdoek |
schotelplag:
sjutelplagk (L416p Opglabbeek),
schotelvod:
sjutelvod (L416p Opglabbeek),
šyətəlvoͅt (L416p Opglabbeek),
dit woord gebruikt men hier
sjōētelvòd (L416p Opglabbeek)
|
Borstel waarmee potten en pannen gereinigd worden (borstel, schrobbertje) [N 79 (1979)] || vaatdoek || zo vet als een vaatdoek (schoteldoek) [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|
| 28963 |
vademen |
invamen:
envēmǝ (L416p Opglabbeek),
steken:
stēkǝn (L416p Opglabbeek),
vamen:
vamen (L416p Opglabbeek)
|
Een draad door het oog van een naald halen. In dit lemma zijn de objecten draad, garen, draad garen, vaam, vaam garen niet gedocumenteerd. [N 59, 68; N 62, 10; L 8, 29; L B1, 76; MW; monogr.]
II-7
|