| 18427 |
vaste boord |
boord:
buurt (L416p Opglabbeek),
boordje:
bèùrtjə (L416p Opglabbeek),
col (fr.):
koͅl (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt U: de boord [N 62 (1973)] || kraag, vaste halsboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 34272 |
vaste uitwerpselen |
keutelen:
kīǝ.tǝlǝ (L416p Opglabbeek),
schaapskeutelen:
šǭpskīǝtǝlǝ (L416p Opglabbeek),
schaapskeuteltjes:
sxępskitǝlkǝs (L416p Opglabbeek),
stront:
strǫ.nt (L416p Opglabbeek)
|
In de vragen L 20, 22f en A 4, 22f werd ook gevraagd naar het gebruik van schapenmest. Uit de antwoorden blijkt dat schapenmest kon dienen als bemesting in het algemeen en als weiland- en bloembemesting. Ook vermengde men schapenmest met stalmest. Schapenmest werd wel eens gebruikt om stokbomen in te planten. [N 77, 122; L 20, 22f; A 4, 22f; A9, 24c] || Vaste uitwerpselen van vee. [JG 1a, 1b; A 9, 24e; A 9, 28c; monogr.]
I-11, I-12
|
| 25395 |
vaste varkenshuid |
zwaard:
swǫrt (L416p Opglabbeek),
zwaars:
swārs (L416p Opglabbeek)
|
De huid die op het varken vast bleef zitten. Woordtypen als "zwaard(s)", "zwaars", "zwoord", "zwoors" komen in de betekenis "harde rand van een snede spek" ook nog voor in een ander verband in het woordenboek. [N 28, 30; monogr.]
II-1
|
| 33363 |
vaste voer- en drinkbak |
krib:
krep (L416p Opglabbeek),
krip (L416p Opglabbeek),
trog:
tryx (L416p Opglabbeek)
|
De opgemetselde bak of goot, soms in vakken verdeeld, die vóór de koeien langs loopt, waaruit de koeien eten en drinken. De hoogte van de bak verschilt van plaats tot plaats. Het water wordt het laatst in de bak gedaan. De bak is dan meteen schoon. Zie ook het vorige lemma "voer- en drinkgoot" (2.2.14). Zie ook afbeelding 10 bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 37b; N 4, 76; N 5, 96; L 1, a-m; L A1, 174; S 19; Wi 4; monogr.; add. uit N 5A, 37a; A 10, 10]
I-6
|
| 22648 |
vastenavond |
vastelavond:
fästelòvent (L416p Opglabbeek),
vastenavond:
vastenâvend (L416p Opglabbeek),
vastənoͅ.vənt (L416p Opglabbeek)
|
De zondag vóór Aswoensdag, vastenavond [vasteloaëved]. [N 96C (1989)] || t Is Vastenavond. [ZND 08 (1925)] || vastenavond [RND]
III-3-2
|
| 23783 |
vastenpreek |
vastenpreek:
vastenprèk (L416p Opglabbeek)
|
De vastenpreek tijdens het lof op de zondagen van de vasten. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23331 |
vastentijd |
vasten:
de vaste (L416p Opglabbeek),
vastentijd:
vástentĭĕt (L416p Opglabbeek)
|
De periode van Aswoensdag tot Pasen (de grote vasten, vastentijd). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 26650 |
vat |
vat:
vā.t (L416p Opglabbeek)
|
Graanmaat. Naar gelang de streek kan de inhoud van een vat verschillen. Voor zover door de invullers opgegeven, is achter het plaatscodenummer tussen ronde haken het aantal kiloɛs vermeld.' [JG 1b; JG 1c; JG 2c; Jan 141; Coe 263; Grof 288; monogr.]
II-3
|
| 32342 |
vat, ton |
ton:
ton (L416p Opglabbeek),
vat:
vāt (L416p Opglabbeek)
|
Een vat of ton is uit houten duigen en twee bodems samengesteld en wordt met behulp van houten of metalen banden bijeen gehouden. Het middendeel ervan, de buik, heeft de grootste omvang. Vanuit het midden loopt het vat naar het boven- en ondereinde smaller toe. [N E, L; L 21, 40; monogr.]
II-12
|
| 32344 |
vat, ton (naar inhoud) |
vat:
vāt (L416p Opglabbeek)
|
In dit lemma zijn de benamingen voor vaten en tonnen met een bepaalde inhoudsmaat bijeen geplaatst. Bij één soort benaming worden door de zegslieden soms verschillende inhoudsmaten opgegeven. [N E, L; monogr.]
II-12
|