| 17555 |
mager worden |
vermageren:
vermageren (L371p Ophoven)
|
Mager worden: in omvang en gewicht afnemen (afslekkeren, afslanken, krimpen, slinken, vermageren). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 34127 |
magere koe |
schrankel:
šraŋkǝl (L371p Ophoven)
|
[N 3A, 147a]
I-11
|
| 32984 |
mais |
maïs:
māi̯ǝs (L371p Ophoven)
|
Zea mays L. Hoogopschietende graansoort met bloeikolven. Vroeger (in Q 14 wordt gepreciseerd: "vóór 1915") alleen als kippevoer bekend; maar de laatste decennia hoe langer hoe meer geteeld als veevoeder. Maïs wordt tegenwoordig op rijen gezet met een afstand van ongeveer 50 cm. Turkentarwe (naar de vreemde herkomst) was de oude en vrij algemene Zuidnederlandse benaming die door het veel kortere maïs verdrongen werd. Het type korentjestarwe, lett. "korreltjes-tarwe", dial. ''kurkentarwe'', is wel een volksetymologie van turkentarwe; in de veelvuldig voorkomende doubletten verschilt alleen de eerste medeklinker. De Vorsense opgave pǝtruk komt uit het Waalse peûs d''trouc'' (pois de Turc), "erwt uit Turkije". Zie afbeelding 1, g.' [N P, 22; JG 1a, 1b; L lijst graangewassen, 4; monogr.; add. uit N 15, 1b]
I-4
|
| 26588 |
malen |
malen:
mā.lǝ (L371p Ophoven)
|
Graan fijnmaken met behulp van een molen. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛbreken, snijdenɛ. Het woordtype malen heeft in P 53, P 58, Q 77a en Q 83 naast de bovengenoemde algemene betekenis ook de specifieke betekenis ø̄de bewerking die de graankorrel ondergaat op het ɛmaalvlakɛ van de molensteenø̄. Vanderspickken (pag. 61) merkt daarover op: ø̄Als het graan tussen de maalstenen komt, wordt het eerst in het midden van de steen gebroken of gesneden en meer naar de buitenkant toe gewreven of gemalen.ø̄' [N O, 36a; JG 1a; Vds 4; Jan 8; Coe 8; Grof 17; monogr.]
II-3
|
| 26638 |
malooi |
gebakte:
gǝbęqdjǝ (L371p Ophoven),
meelzak:
[meel]zak (L371p Ophoven),
zak:
zak (L371p Ophoven)
|
De hoeveelheid graan die men naar de molen brengt en die groot genoeg is om er één of twee keer van te bakken. Zie ook de toelichting bij de lemmata ɛmaalgoedɛ en ɛbakmeelɛ.' [JG 1a; JG 1b; JG 1c; JG 2c; monogr.; N D, 33 add.]
II-3
|
| 21117 |
mals, gezegd van boter |
mals:
mals (L371p Ophoven),
slap:
slap (L371p Ophoven)
|
mals, goed smeerbaar, gezegd van boter (plat) [N 91 (1982)]
III-2-3
|
| 20205 |
man |
kerel:
kɛ.rəl (L371p Ophoven),
man:
de man is aod (L371p Ophoven),
mânə (L371p Ophoven),
wej hejt dè man (L371p Ophoven)
|
man [RND], [RND] || Man. Die man is oud. [ZND 05 (1924)] || Vertaal in uw dialect: hoe heet die man? [ZND 48 (1954)]
III-3-1
|
| 24203 |
man, mannelijke zangvogel |
mannetje:
menke (L371p Ophoven)
|
mannelijke zangvogel (tersel) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 18422 |
manchet |
manchet:
məšet (L371p Ophoven)
|
manchet, vaste mouwboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18700 |
manchetknoop |
manchetknoopje:
məšetknø͂ͅypkəs (L371p Ophoven)
|
manchetknoopjes [N 23 (1964)]
III-1-3
|