| 20489 |
schrokken |
schrokken:
schrokken (L371p Ophoven),
vreten:
vrèten (L371p Ophoven)
|
schrokken; Hoe noemt U: Gulzig eten (schrokken, slokken, vreten, verschrokken, schoffelen, wolven, zwelgen, worgen, moffelen, buffelen, schransen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24374 |
schub |
schub:
WBD/WLD
schub (L371p Ophoven)
|
Hoe noemt u elk van de dunne plaatjes waarmee de huid van een vis geheel of gedeeltelijk is bedekt (schub, schubbe, schelp, schulp) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 18844 |
schuchter |
beschaamd:
beschaamd (L371p Ophoven),
bleu:
ook materiaal znd 21, 36
bluuë (L371p Ophoven),
bløu̯ə (L371p Ophoven),
schouw:
ook materiaal znd 21, 36
choew (L371p Ophoven)
|
bang om de aandacht te trekken of zich te vertonen [blode, bedeesd, beschaamd, schuchter] [N 85 (1981)] || schuchter (bloode) [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 32593 |
schudden met de riek |
uitereenschudden:
utǝręi̯.nšø̜dǝ (L371p Ophoven)
|
Bij het mest spreiden maakt men met de riek telkens al schuddende een slingerende beweging. [N M, 12b; N 11A, 24; JG 1a + 1b; monogr.]
I-1
|
| 33586 |
schudden van vruchten |
schudden:
WBD/WLD
schudden (L371p Ophoven)
|
Appels van de boom schudden (muiken). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 19501 |
schuifgrendel |
schoude:
sxǫj (L371p Ophoven)
|
Toestel waarmee deuren, luiken, etc. gesloten kunnen worden. Het bestaat uit een ronde, volgens de invuller uit Q 193 platte, metalen staaf die schuivend onder haken op een plaat is bevestigd. De schuifgrendel dient om een raam of deur in gesloten toestand vast te zetten. Zie afb. 64. Vgl. ook het lemma 'Krukschuifje'. Zie voor het woordtype 'schoude' ook RhWb (vii), kol. 886, s.v. 'Schalte': ø̄eisener Riegel zum Schieben, durch eine Schlaufe gehend, bei Holztoren, Garten-, Stalltüren, am Fensterladen.ø̄ [N 54, 94a; N 54, 96; L 6, 50; monogr.]
II-9
|
| 23385 |
schuifje van de biechtstoel |
schuifje:
schuufke van de beechtstool (L371p Ophoven)
|
Het afsluitbare traliewerk, de schuif in de biechtstoel. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24992 |
schuimen |
schuimen:
schumen (L371p Ophoven)
|
schuim opwerpen, dragen of geven [bedomen, schuimen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 19555 |
schuimspaan |
schuimlepel:
šy(3)̄mlēpəl (L371p Ophoven),
schuimspaan:
šūmspān (L371p Ophoven)
|
schuimspaan, schuimlepel [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21370 |
schuld |
schuld:
šoͅut (L371p Ophoven),
ps. omgespeld volgens Frings.
šōͅu̯t (L371p Ophoven)
|
Geldschuld, schuld die men nog moet betalen [N 21 (1963)] || schuld [ZND m]
III-3-1
|