| 30317 |
vensterbank |
vensterbank:
vęnstǝrbāŋk (L314p Overpelt)
|
Min of meer breed houten of stenen dekstuk aan de binnenzijde van een raam op hoogte van de onderdorpel. Zie ook afb. 57b. Een stenen vensterbank werd in P 48 van 'arduin' ('ardø̜̄n'), in K 314 van 'arduinsteen' ('ardoanstiǝn'), in L 366 van naamse steen en in K 317 van 'marmer' ('męlǝbǝr') vervaardigd. [N 55, 44b; S 39; L 8, 37b; L 31, 12b; L B1, 168; A 46, 10c; monogr.]
II-9
|
| 34131 |
ver uitspringende hielen |
sabelbenen:
sābǝlbīǝn (L314p Overpelt),
sabelhakken:
sābǝlhakǝ (L314p Overpelt)
|
[N 3A, 144a; monogr.]
I-11
|
| 17914 |
verbergen |
verbergen:
verbergen (L314p Overpelt),
Meest echter wordt versteken gebruikt.
verbergen (L314p Overpelt),
versteken:
Meest echter wordt versteken gebruikt.
verstèken (L314p Overpelt),
Verbergen"wordt volgens de informant niet gebruikt.
verstèken (L314p Overpelt)
|
verbergen [ZND 25 (1937)], [ZND m]
III-1-2
|
| 34155 |
verdrogen |
verdrogen:
(de koe) vǝrdrøxt (L314p Overpelt),
vǝrdrø̄gǝ (L314p Overpelt)
|
Minder melk gaan geven wegens drachtigheid. [N 3A, 72a]
I-11
|
| 30596 |
verf |
verf:
vɛrǝf (L314p Overpelt)
|
Vloeibare substantie, gewoonlijk bestaande uit een poedervormige, kleurgevende stof en een bindmiddel. Verf wordt met behulp van een kwast, een roller of een spuit opgebracht, waarna zij in een harde laag opdroogt. [Wi 54; S 39; L A1, 82; N 67, 18a; monogr.]
II-9
|
| 30735 |
verflaag |
laag verf:
lǫx ˲vɛrǝf (L314p Overpelt)
|
Zie kaart. Uitgestreken hoeveelheid verf. [N 67, 77a; L 29, 28b; monogr.]
II-9
|
| 17924 |
verfrommelen |
verfrommelen:
verfrommelt (L314p Overpelt)
|
(papier) frommelen, verfrommelen [ZND 35 (1941)]
III-1-2
|
| 24614 |
vergeet-mij-nietje |
vergeet-me-nietje:
vergeet-mij-nietje (L314p Overpelt),
vərget-mei-nītje (L314p Overpelt)
|
vergeet-mij-nietje [ZND 40 (1942)]
III-4-3
|
| 19597 |
vergiet |
zij:
zei (L314p Overpelt)
|
vergiet, doorslag [ZND 45 (1946)]
III-2-1
|
| 21660 |
verhogen |
opslaan:
ps. omgespeld volgens IPA.
oͅpxəsla͂gə (L314p Overpelt)
|
verhogen, iets in prijs ~ [opsteken? b.v. de eieren zijn opgestoken?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|