| 33909 |
hanetred |
krampetrekker:
krampǝtrękǝr (L290p Panningen)
|
Krampachtige beweging van de achterbenen. Het paard gaat als een haan en trekt bij het lopen één of beide achterbenen krampachtig op. Als paarden met deze afwijking een tijdje gestaan hebben, zijn ze erg stijf in de achterpoten. Vgl. het lemma ''krampig'' (7.14). Krampigheid en hanetred worden beschouwd als gebreken die verborgen kunnen blijven.' [A 48A, 40; N 8, 90c]
I-9
|
| 17811 |
hangen |
hangen:
hange (L290p Panningen)
|
hangen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 30079 |
hangende muur |
hangende muur:
haŋǝndǝ mōr (L290p Panningen),
naar buiten uit gaan:
nǭ bū.tǝn ū.t ˲gǭn (L290p Panningen)
|
Muur die naar buiten overhelt. Wanneer zo'n muur in Q 19 met behulp van het schietlood werd gecontroleerd, zei men: 'het lood hangt vrij' ('ǝt lwǫat heŋk ˲vrij'). [N 31, 11a; N 31, 11c; monogr.]
II-9
|
| 29985 |
hangende steiger |
hangsteiger:
haŋ[steiger] (L290p Panningen)
|
Steiger bestaande uit winkelhaakvormige ramen die met behulp van touwen of haken aan het dak zijn vastgemaakt. De ramen rusten tegen de muur van het bouwwerk en dragen de planken waarop de metselaar staat. Zie voor de fonetische documentatie van de woorden en woorddelen '(steiger)' en '(stelling)' hetlemma 'Steiger'. [N 32, 8a]
II-9
|
| 19373 |
hangslot |
hangslot:
hangsjlòòt (L290p Panningen),
kluister:
kloeister (L290p Panningen),
kloesjter (L290p Panningen)
|
hangslot [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 21413 |
hard schreeuwen |
hel kaken:
hel kaakə (L290p Panningen)
|
hard schreeuwen; je moet - - anders verstaat hij ons niet [DC 03 (1934)]
III-3-1
|
| 25146 |
hard vriezen |
het nijpt hem:
Als t hard vriest.
’t niept em (L290p Panningen)
|
vriezen [bieberen, bikken] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25147 |
hard waaien |
boezen:
bōēze (L290p Panningen)
|
hard waaien [boezen] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25027 |
hard, luid |
hel:
hel (L290p Panningen),
hĕl (L290p Panningen),
met lengteteken op de e
hĕl (L290p Panningen)
|
hard (schreeuwen) [DC 38 (1964)] || luid [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 33684 |
harde, lastige grond |
bendige:
bɛndjegǝ (L290p Panningen),
bɛnjegǝ (L290p Panningen)
|
Harde, zware grond die moeilijk te bewerken is. [N 27, 33; R 3, 6; A 10, 4; monogr.]
I-8
|