| 22383 |
spelen (alg.) |
spelen:
ech spēl, hēͅ[ə} spēlt, vēͅ[ə} spēͅlən (L355p Peer),
speehle (L355p Peer),
spelen (L355p Peer)
|
Ik speel, hij speelt, wij spelen. [ZND 07 (1924)] || spelen [GTRP (1980-1995)] || Spelen. [Willems (1885)]
III-3-2
|
| 20165 |
spenen |
spenen:
spē̜nǝn (L355p Peer)
|
Het veulen het zuigen ontwennen. [JG 1a, 1b; N 8, 59]
I-9
|
| 17719 |
sperma |
sperma:
sperma (L355p Peer),
zaad:
zoad (L355p Peer)
|
Sperma: het mannelijke zaad (zaad, natuur, sperma, wieks) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 24247 |
sperwer |
klamper:
klamper (L355p Peer),
sperwer:
sperwer (L355p Peer)
|
sperwer [Willems (1885)]
III-4-1
|
| 26360 |
spie |
spie/spij:
spęi̯ (L355p Peer)
|
De zeisring, die steel en blad verbindt, wordt vastgeslagen door middel van een spie, of door twee of meer spietjes. Doorgaans zijn ze van hout, omdat deze het beste vast blijven zitten; soms vindt men ook een ijzeren spie, vaak in combinatie met een houten. Zie ook de toelichting bij het lemma ''zeisring'', en afbeelding 4, nummer A4 en B4. [N 18, 67e; JG 1a, 1b, 2c; add. uit A 14, 2]
I-3
|
| 21373 |
spijbelen |
achter de heggen naar de school gaan:
achtər də heͅggə nø͂ͅ də schol gø͂ͅn (L355p Peer),
hegschool houden:
hɛchscho:l ha:n (L355p Peer)
|
Hoe noemt men het heimelijk, zonder medeweten van de ouders, wegblijven van school? [Lk 03 (1953)] || Spijbelen (de school ontlopen, achter de hagen schoolgaan). [ZND 07 (1924)]
III-3-1
|
| 18202 |
spijkerbroek |
jeans:
Doah is giehjen dialect veehr.
jeans (L355p Peer)
|
Spijkerbroek [spijkerbroek, -boks, jeansbroek, jeans] [N 114 (2002)]
III-1-3
|
| 31953 |
spijkeren |
nagelen:
nęxǝlǝn (L355p Peer)
|
Met een hamer spijkers in het hout slaan. [N 53, 152a-b; L 5, 7; monogr.]
II-12
|
| 26687 |
spil van de handmolen |
staakijzer:
stākę̄ǝzǝr (L355p Peer)
|
De as waar bij eenvoudige handmolens de bovenste steen om draait. De as is met één uiteinde bevestigd in de onderste steen. [N D, 14]
II-3
|
| 24379 |
spin |
spin:
spen (L355p Peer),
spin (L355p Peer)
|
spin [RND], [Willems (1885)]
III-4-2
|