| 20494 |
fruit eten |
snaaien:
sjnaaiə (L299p Reuver)
|
fruit eten; Hoe noemt U: (Veel, onrijp) fruit eten (groezen, snaaien, snatsen, snoeien) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20536 |
fruiten |
braden:
vleis braoje (L299p Reuver),
bruin braden:
brōēn braojə (L299p Reuver)
|
fruiten; Hoe noemt U: Vlees of uien bruin braden (fruiten, fritten) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24443 |
fruitworm |
worm:
worm (L299p Reuver)
|
worm die in een appel huist [pieremenneke] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 19727 |
fuchsia |
bellenbloempjes:
bellebleumke (L299p Reuver),
fuchsia:
foeksiaas (L299p Reuver)
|
fuchsia [DC 57 (1982)]
III-2-1
|
| 22851 |
fuik |
fuik:
foek (L299p Reuver)
|
fuik [SGV (1914)]
III-3-2
|
| 17807 |
gaan |
gaan:
gaon (L299p Reuver),
goam (L299p Reuver)
|
gaan [SGV (1914)] || lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 25233 |
gaan liggen (van de wind) |
gaan liggen:
gaon liggə (L299p Reuver),
gaon ligke (L299p Reuver)
|
gaan liggen, gezegd van de wind [stillen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 20530 |
gaar |
gaar:
gaar (L299p Reuver, ...
L299p Reuver)
|
gaar; Hoe noemt U: Goed gekookt (gaar, murw) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 29888 |
gaar stoken |
gaar stoken:
gār štǭkǝ (L299p Reuver)
|
Pannen bakken door de oven op de hoogst vereiste hittegraad te brengen. Volgens een invuller uit L 290 verkreeg men door met dennen (dɛn\) te stoken rode pannen (ru\ pan\). Wanneer men met elzeschansen (ęlz\ēans\) werkte, ontstonden blauwe pannen (blaw pan\). Zie ook het lemma ɛblauwstokenɛ. Daar wordt door de invullers ook dennehout genoemd voor het ɛblauwstokenɛ. Zie voor de verdere terminologie bij het bakken van dakpannen de paragraaf over de veldoven.' [monogr.; N 27 add.]
II-8
|
| 18345 |
gaatje voor de schoenveter |
schoengat:
sjoongater (L299p Reuver)
|
gaatjes in de schoen waardoor de veter wordt geregen [riegaater] [N 24 (1964)]
III-1-3
|