| 17919 |
kietelen |
krieuwselen:
krīfsələ (Q158p Riksingen)
|
kittelen [ZND 01u (1924)]
III-1-2
|
| 24337 |
kikker |
kwakvors:
ook in ZND 01u, 121; 14, 001 en 16, 004
kwakvos (Q158p Riksingen)
|
kikvors [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|
| 20308 |
kind (algemene benaming) |
kind:
kend (Q158p Riksingen),
kent (Q158p Riksingen)
|
kind (een - dopen) [ZND 23 (1937)] || kind; mijn lief kind, blijf hier beneden staan, de kwade ganzen bijten u dood [ZND 04 (1924)]
III-2-2
|
| 20173 |
kind (troetelnaam) |
baasje:
znd 11, B7
béskə (Q158p Riksingen),
lief:
znd 11, B7
leef (Q158p Riksingen),
mannetje:
znd 11, B7
mənnəkə (Q158p Riksingen),
muiltje:
znd 11, B7
məlkə (Q158p Riksingen),
tutter:
znd 11, B7
tutər (Q158p Riksingen)
|
kind; liefkozend woord tegenover kinderen gebruikt door ouders en volwassenen [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 20190 |
kind van een zus |
gezusterskinder:
gəzustərskənnər (Q158p Riksingen)
|
gezusterskinderen [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 18674 |
kinderkleren |
kinderkleren:
kenərklēr (Q158p Riksingen)
|
kinderkleren, kinderkleertjes [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18362 |
kinderschort met mouwen |
kindervoordoekje:
kenərvørəkskə (Q158p Riksingen)
|
kinderschort met mouwen [smul] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18073 |
kinkhoest |
kiekhoest:
kīkhūs (Q158p Riksingen)
|
kinkhoest [ZND 01u (1924)]
III-1-2
|
| 29843 |
kippen |
hennen:
henǝ (Q158p Riksingen),
hø̜̄nǝ (Q158p Riksingen)
|
De hennen of de hoenderen. De (vrouwelijke) kippen of hennen vormen de meerderheid in een kippenhok en geven hun naam aan het geheel. Zie afbeelding 8. [N 19, 37; RND 1; Wi 13; Wi 14; Wi 17; A 6, 1b; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 6, 20a; L 28, 35; L 22, 22; L 33, 20; L 34, 12; L 34, 13; L 42, 5; L 44, 53; S 14; NE 2, I; Gwn 5, 14; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 33406 |
kippenladder, kippenleertje |
hennenleddertje:
hinǝlødǝrkǝ (Q158p Riksingen)
|
Het laddertje of een plank met dwarslatjes waarlangs de kippen het boven een stal gelegen kippenverblijf of de slaapzolder kunnen bereiken. Het voorwerp timmert men meestal met eigen middelen primitief in elkaar. Zie ook afbeelding 11 bij het lemma "kippenhok" (2.5.1). [N 5A, 63d; A 48, 17b; L 40, 62a en 62b; monogr.]
I-6
|