| 19407 |
koekenpan |
braadpan:
braäipan (L373p Roosteren)
|
pot, metalen ~ met steelvormig handvat; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20750 |
koekje |
boterkoekje:
botterkeukskes (L373p Roosteren),
knapkoek:
knapkook (L373p Roosteren),
theekoekje:
bij de thee
tēēkeukskes (L373p Roosteren),
zandkoekje:
zijn droog
zandjkeukskes (L373p Roosteren)
|
Welke benamingen kent u voor koekjes (kaffekoekje, sterreke, waterpletske, peekverjenneke, knapkoek?) Wat zijn de verschillen tussen deze? [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 24188 |
koekoek |
koekoek:
eigen spelling; omgespeld
kukuk (L373p Roosteren)
|
koekoek (39 zomervogel; roep [koe-koek] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24871 |
koekoeksbloem |
koekoeksbloem:
-
koekoeksbloom (L373p Roosteren)
|
echte koekoeksbloem [DC 17 (1949)]
III-4-3
|
| 33349 |
koestal |
koestal:
ku[stal] (L373p Roosteren),
rinderstal:
ręnjǝr[stal] (L373p Roosteren)
|
De stal bestemd voor het rundvee. Soms zijn er voor ouder vee en kalveren aparte stalruimten. Meestal zijn de koestal en de kalverstal in één ruimte, die in zijn geheel "de koestal" wordt genoemd. Men kan de koestal echter ook opvatten als dat deel van de stal waar de koeien staan. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel (stal) het lemma "stal" (2.1.2). [N 5A, 33; N 5, 105g; JG 1a en 1b; A 10, 9a; L 38, 24; R (s]
I-6
|
| 33340 |
koewachter, veeknecht |
koejong:
kujøŋ (L373p Roosteren),
zweitser:
zwęi̯tsǝr (L373p Roosteren)
|
De zweitser is de boerenknecht die, vooral op grote boerderijen met minstens 10 koeien (L 246), speciaal belast is met het melken en de verzorging van het rundvee. Wanneer het bedrijf voor zo''n speciale knecht te klein is wordt de zorg voor de koeien toevertrouwd aan een koewachter (koeherd, koejong; in het zuiden koeter, vatsji), meestal een aankomende knecht, pas van school, die de beesten meeneemt naar de wegbermen om ze daar te laten grazen. Van een koeter en vatsji in West-Haspengouw wordt ook gezegd dat hij (of zij) ook karweitjes in huis verricht, bijvoorbeeld in de keuken; vergelijk Kruijsen (1990) en het lemma "(hard) werken op de boerderij" (1.3.10). Bij koeherd in Q 6 wordt aangetekend: "hij kreeg alleen de kost en de klompen als loon". Voor de fonetische documentatie van het woord (knecht) zie het lemma "knecht algemeen" (1.3.12). [N M, 1b; JG 1b, 2c; A 48, 18b; L 26, 32b; monogr.]
I-6
|
| 19515 |
koffiepot |
koffiepot:
koffiepot (L373p Roosteren),
letterlijk overgenomen
ko:ffiepot (L373p Roosteren)
|
pot waarin koffie wordt gezet [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19592 |
koffiezeef, koffiefilter |
koffiezeef:
koffiezeef (L373p Roosteren)
|
zeef; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 20787 |
koken (intr.) |
koken:
kōͅkə (L373p Roosteren)
|
koken [DC 03 (1934)]
III-2-3
|
| 24189 |
kokmeeuw |
kokmeeuw:
eigen spelling; omgespeld
koͅkmēu̯ (L373p Roosteren)
|
kokmeeuw (38 zeer bekend; witte vogel met s zomers bruinzwarte kop; in grote troepen op en rond allerlei water; in de stad ook daarvandaan; schreeuwerige vogel; vooral in de grote broedkolonies; aan Schelde en Maas komen nog meer, meest grotere soorten [N 09 (1961)]
III-4-1
|