| 18264 |
mouw |
hazesprong:
hāzǝšprøŋk (Q098p Schimmert),
mouw:
moe (Q098p Schimmert),
moew (Q098p Schimmert),
muw (Q098p Schimmert)
|
Gezwel, met name een vochtophoping, aan de achterzijde van het spronggewricht. Bij een jong paard kan een overvuld kniegewricht wel eens van voorbijgaande aard zijn, maar meestal is het een ernstige aandoening waarbij geen verbetering optreedt. Zie afbeelding 16. [A 48A, 54e; N 8, 32.10, 32.11, 90g, 90h, 90i en 90j; monogr.] || Hoe noemt U in het algemeen een mouw? [N 62 (1973)] || mouw [SGV (1914)] || Mouw van bijv. een colbert of japon. [N 59, 126; N 62, 34a; MW]
I-9, II-7, III-1-3
|
| 18714 |
mouw met kanten plooisel |
lobmouw:
lobmoew (Q098p Schimmert)
|
mouw met kanten plooisel [lobmouw] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 29070 |
mouwomslag, manchet |
manchet:
manchet (Q098p Schimmert)
|
Verlengstuk aan het einde van een mouw; vaak afzonderlijk, en dan al of niet aan de mouw vastgemaakt. [N 62, 34d; N 59, 134; MW]
II-7
|
| 18325 |
mouwschort |
mouwenscholk:
moe-e-scholk (Q098p Schimmert),
moeuwe sjolk (Q098p Schimmert)
|
schort met mouwen [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 20598 |
muik |
schopje:
schŏpke (Q098p Schimmert)
|
mui; Hoe noemt U: (Geheime) bergplaats voor onrijp fruit (mui, ponk, bier, moele, loering, gielgoerde) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 26147 |
muilband |
naas:
nās (Q098p Schimmert)
|
Brede, ijzeren band om het uiteinde van de naaf die voorkomt dat er aarde en modder op het aseinde terechtkomt. De muilband heeft soms een rechthoekig uitgekapte opening die afgedekt wordt met een klepje. Door de opening kan men de luns uit de as trekken zodat het wiel van de as kan worden verwijderd, bijvoorbeeld wanneer de as gesmeerd moet worden. Zie ook afb. 214. [N G, 43c; N 17, 60a; JG 1a; JG 1b; Vld.; div.]
II-11
|
| 33066 |
muilband, bovenste band van de schoof |
bovenste band:
bø̄vǝnstǝ [band] (Q098p Schimmert)
|
Zie de toelichting bij het lemma ''garveband'' (4.6.9). Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) band het lemma ''garveband'' (4.6.9). [N 15, 22b; monogr.; add. uit JG 1b]
I-4
|
| 34223 |
muilkorf voor kalveren |
muilkorf:
mulkø̜rf (Q098p Schimmert)
|
De muilkorf voor kalveren die geen hooi mogen vreten. [N 3A, 14e]
I-11
|
| 17872 |
muilpeer |
muilpeer:
moelpêêr (Q098p Schimmert),
mŏĕlpèèr (Q098p Schimmert)
|
muilpeer, slag op de kaak [SGV (1914)] || Slag op de kaak; muilpeer (flets, fleer, plakkaat, kek, kokarde, klamats). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18308 |
muiltje |
muiltje:
muiltjes (Q098p Schimmert),
slobje:
schlubkes (Q098p Schimmert)
|
Hoe noemt men de muilen? [DC 09 (1940)] || muiltjes, pantoffels zonder hielstuk [N 24 (1964)]
III-1-3
|