e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Sittard

Overzicht

Gevonden: 6601

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
achterhoofd achterkop: achterkop (Sittard) achterhoofd [N 10 (1961)] III-1-1
achterklauw vers: vē̜š (Sittard) Achterste deel van de hoef. [N 3A, 119c] I-11
achterknie hak: hak (Sittard), knieschijf: knęi̯šif (Sittard) Uitstekend achterpootsgewricht van het paard. Een gedeelte van de termen duidt niet de uit- maar de insprong of knieholte aan. Zie afbeelding 2.40. [JG 1a, 1b, 2c; N 8, 32.1, 32.5, 32.9, 32.10, 32.11 en 32.12] I-9
achternaafband achterband: axtǝrbantj (Sittard) De ijzeren band om het achtereinde van de naaf, aan de kant van de wagen. De achternaafband is doorgaans smaller dan de muilband. Zie ook afb. 214. [N G, 43d; N 17, 60b; Vld.] II-11
achterschijf achterschijf: axtǝršīf (Sittard) Ronde, met het wiel meedraaiende schijf tussen de naaf en de stootring van het asblok. De achterschijf verhindert dat er tijdens het rijden vet of smeer verloren gaat en vuil de naafbus kan binnendringen. Woordtypen met als tweede lid het woord -ring komen ook voor in het lemma ɛstootringɛ (WLD I.13).' [N G, 50a; N 17, 56; JG 1b, add.] II-11
achterste achterste: echesjte (Sittard) achterste [SGV (1914)] III-1-1
achteruit achteruit: achteroet (Sittard), steenwegje: sjteivigske (Sittard), terug-u(j): tryk˱ ȳ (Sittard) open binnenplaats || Open plaats achter een huis (dam, werft, bleek, achteruit, plaats) [N 79 (1979)] || Voermansroep om het paard achteruit te doen gaan. [JG 1b; N 8, 95l en 96; L B 2, 254; L 36, 81b; monogr.] I-10, III-2-1
achteruitgaan wijken: wieke (Sittard) Achteruitgaan (wijken, deinzen). [N 84 (1981)] III-1-2
achteruittrappen slaan: šlǭn (Sittard) Met één of beide achterpoten achterwaarts trappen. [JG 1a; N 8, 70a en 72] I-9
acoliet acoliet: akeliet (Sittard) Een acoliet, een oudere misdienaar. [N 96B (1989)] III-3-3