e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Spalbeek

Overzicht

Gevonden: 1456

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
afleggen geleggen maken: gǝlęgǝ mākǝ (Spalbeek), schoven maken: sxuvǝ mākǝ (Spalbeek) De term "afleggen" is oorspronkelijk afkomstig van het graan maaien met de zeis: de gemaaide halmen vallen dan tegen de nog staande aan en moeten eerst "afgelegd" worden (door de "aflegger"), voordat de maaier een nieuwe baan kan aanzetten. De aflegger doet dit doorgaans met de handen, soms met een sikkel of een pikhaak, en "stuikt" daarbij een hoeveelheid halmen voor een schoof tegen de grond en bindt deze dan, provisorisch, af. De aflegger gebruikt daarbij vaak overmouwen om zich tegen de stekende halmen te beschermen. Later is de term overgenomen bij het maaien met de maaimachine; daar wordt ook "afgelegd", hetzij door de voerman zelf die met een pedaal een hoeveelheid halmen afzondert, hetzij eveneens door een aparte "aflegger". Dit "alleen achter de maaimachine" wordt uitdrukkelijk vermeld in L 164, 268 en L 320a. Vandaar is het verspreidingsgebied hier groter dan het gebruik van de graanzeis in de kaart "graan maaien met de zicht en de zeis". Bij het pikken vormt de zichter zelf de schoven, of de pikkelingen, door de zojuist afgesneden halmen "af te trekken", zie de toelichting bij het lemma ''aftrekken'' (4.2.5). [N 15, 15d en16h; N J, 3b; JG 1a, 1b, 1c; monogr.] I-4
afloeren, bespieden uitloeren: uitloere (Spalbeek) iets bespieden [ZND 32 (1939)] III-1-1
afvallen van bladeren vallen: valle (Spalbeek) afvallen v. bladeren [ZND 32 (1939)] III-4-3
afwasteil, afwasbak bassin: baseͅŋ (Spalbeek) bak waarin men afwast [N 20 (zj)] III-2-1
akkerdistel, distel dissel: dissel (Spalbeek) distel [ZND 01 (1922)] III-4-3
alpinomuts alpenmuts: aləpəmuts (Spalbeek) alpino(muts) [patsj] [N 25 (1964)] III-1-3
altaar altaar (<lat.): op den autaar (Spalbeek) Op het altaar (let op het geslacht!) [ZND 32 (1939)] III-3-3
andere nachtkleding: nachtbroek slaapbroek: slōpbruk (Spalbeek) nachtkleding: inventarisatie overige soorten; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] III-1-3
andijvie andijve: andijve (Spalbeek, ... ) [ZND 01 (1922)] [ZND 32 (1939)] I-7
angel angel: aŋǝl (Spalbeek) Het verdedigingsmiddel van de bij dat zich aan het achterlijf bevindt. Het is een scherp, hol spiesje, van weerhaakjes voorzien en verbonden met een gifblaasje. Hiermee steken moer en werkbij. De dar mist dit wapen. [N 63, 73a; L 32, 26; JG 1a+1b; monogr.] II-6