| 21175 |
sluisdeur |
deur:
deur (Q015p Stein),
schoft:
schoft (Q015p Stein)
|
het ophijsbare deel van een sluis (schoft) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21176 |
sluismeester |
sluismeester:
sluismeister (Q015p Stein)
|
de persoon die belast is met het toezicht op en het gebruik van een sluis, vooral van schutsluizen (sasmeester, sluismeester, sasser, sassenier) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 24943 |
sluiten (van grond) |
hel worden:
weurd helle (Q015p Stein),
vervloeren:
vervloeren (Q015p Stein)
|
hard worden, gezegd van aarde [vervloeren, sluiten] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25505 |
sluiting aan de ovendeur |
schoude:
šǭw (Q015p Stein)
|
Getuige de opgaven komen er verschillende manieren van sluiten voor variërend van heel eenvoudige tot meer technische. Volgens de informant van P 56 wordt er daar simpelweg een stok tegen de ovendeur geplaatst. Volgens de zegspersoon uit L 372 gebeurt dit sluiten met een (kløpǝl) door de boer, terwijl de bakker gebruik maakt van een (sxǫw). [N 29, 2c; N 29, 2a; N 29, 2b]
II-1
|
| 26856 |
sluitpin |
splitnagel:
splētnāgǝl (Q015p Stein)
|
De bout die door het in de kozijnstijl geboorde gat wordt gestoken. Zie ook de toelichting bij het lemma 'Grendelboom'. [N 55, 72b]
II-9
|
| 30364 |
sluitplaat |
slietplaat:
slētplāt (Q015p Stein)
|
Plaat in de kozijnstijl waar de schoot van het slot in valt. [N 54, 103e]
II-9
|
| 30222 |
sluitplank |
strook:
strōk (Q015p Stein)
|
De laatste plank van het dakbeschot, die eventueel bijgeschaafd moet worden. Het plaatsen van de sluitplank werd in L 385 'stuk inzetten' ('štø̜k˱ enzetǝ') genoemd. [N 54, 181]
II-9
|
| 20168 |
sluitspeld |
knipspang:
knip-spang (Q015p Stein),
toespang:
toe spang (Q015p Stein),
⁄n toe spang (Q015p Stein)
|
sluitspeld; speld waarvan de punt wordt vastgezet in een dopje of haakje zodat men zich daaraan niet kan bezeren, voor de luier [toespeld, knipspeld, bakelspeld] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 32050 |
sluitwig |
kijl:
kīl (Q015p Stein),
spie:
spi (Q015p Stein)
|
Wanneer de pen bij een open pen-en-gatverbinding uitsteekt, wordt hij met behulp van een wig vastgezet. Zie ook afb. 139. Door de wig te verwijderen, kan de verbinding weer uit elkaar genomen worden. [N 54, 61]
II-12
|
| 20491 |
slurpen |
lepsen:
löpse (Q015p Stein),
slurpen:
slurpen (Q015p Stein)
|
slurpen; Hoe noemt U: Drank of vloeibaar voedsel hoorbaar opzuigen (slorpen, slurpen, slierpen, lerpen, lerwen, zabberen, slobberen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|