| 25716 |
storten |
in de kuip laten:
en dǝ kip lǭtǝ (L318p Stramproy),
storten:
stortǝ (L318p Stramproy)
|
Moutmeel in de beslagkuip, beslagketel of voormenger brengen. De invuller uit P 180 merkt daarbij op dat men de zakken vroeger langzaam in de kuip goot. Later is men pijpen (L 318, Q 32) en trechters (Q 20) gaan gebruiken om het moutmeel in de kuip te storten. [N 35, 36; monogr.]
II-2
|
| 34564 |
stortkar |
aardkar:
ē̜r(t)kęr (L318p Stramproy),
korte kar:
kǫrtǝ kęr (L318p Stramproy),
slagbak:
slāx˱bak (L318p Stramproy)
|
Algemene benaming voor een kipbare kar. In tegenstelling tot bij de hoogkar lopen de berries niet onder de gehele bak door. De bak is aan het achtereinde van de berries bevestigd met een verbindingsspil, zodat hij gekipt kan worden zonder dat men het paard moet uitspannen. Deze kar wordt gebruikt voor het vervoer van onder meer mest, bieten, aardappelen, rapen, weigroen enz. Over het algemeen is ze kleiner dan de hoogkar. Meestal heeft deze kar twee wielen, maar er komen ook 3- en zelfs 4-wielige stortkarren voor. De bortelkar en de clitchèt zijn vaak 3-wielig, de bortelkar kan ook 4-wielig zijn. De aardkar is meestal ouder dan de slagkar en heeft ook een kleinere bak. Ook de korte kar heeft een kleinere bak dan de slagkar. Voor de verspreiding van het woordtype mestkar, zie ook WLD I.1, pag. 11 bij het lemma mestkar. Bijzondere types van stortkar zijn de binnenslaander en de buitenslaander, hier sub A. resp B. behandeld. Een binnenslaander is een stortkar met een kleine bak. De beide berries zitten tegen de buitenzijde van de draagbodem van de bak, waardoor deze tussen de berries valt. Een buitenslaander is een stortkar met een grotere bak. De beide berries zitten tegen de binnenzijde van de draagbodem van de bodem van de bak. [N 17, 2-4; N G, 51 + 55; JG 1a; JG 1b; JG 2a; JG 2b; A 42, 10a-b; L 27, 63; monogr.]
I-13
|
| 25717 |
stortpijp |
pijp:
pīp (L318p Stramproy)
|
De pijp waarmee men het moutmeel in de beslagkuip brengt. [N 35, 36 add.]
II-2
|
| 17901 |
stoten |
bobbelen:
bǫbǝlǝ (L318p Stramproy),
stoten:
stuǝtǝ (L318p Stramproy)
|
Het schokken van de reminrichting bij te straf afremmen. [N O, 13b]
II-3
|
| 20534 |
stoven |
smoren:
smore (L318p Stramproy)
|
stoven; Hoe noemt U: Met weinig vet op laag vuur gaar laten worden (smoeren, stoven, wallen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33805 |
straal |
straal:
strǭl (L318p Stramproy)
|
Veerkrachtig eeltweefsel, enigszins in de vorm van een pijlpunt (mnl. straal: pijl), dat de driehoekige ruimte van de achterrand van de steunsels van een paardehoef opvult. Tilt men de hoef op, moet er een goed ontwikkelde straal te zien zijn. Beginnend bij de bal van de voet en in één punt uitlopend naar de teen werkt de straal als een antislipmechanisme. Zie afbeelding 5. [JG 1a, 1b; N 8, 33 en 34]
I-9
|
| 21249 |
straat |
straat:
straot (L318p Stramproy, ...
L318p Stramproy)
|
straat [DC 02 (1932)]
III-3-1
|
| 19538 |
straatbezem |
straatbezem:
straotbesem (L318p Stramproy)
|
bezem, hard, gebruikt voor ruwer werk, zowel binnen- als buitenshuis (harde bezem) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 18776 |
streng |
streen:
(mv)
strēnǝ (L318p Stramproy)
|
De strengen garen die men op scheerklossen (bij kettinggaren) of op spoelpijpen (bij inslaggaren) spoelt bijvoorbeeld door middel van een pijpenspoel voor het scheren. [N 39, 55a; N 34, D add.; monogr.]
II-7
|
| 33971 |
strengbeugels |
hachtenstang:
hachtenstang (L318p Stramproy)
|
Beugels die de strengen met het haam of het borsttuig verbinden. Als deze verbinding uit haken bestaat, spreekt men van strenghaken (zie lemma Strenghaken). Een aantal informanten maakt in de benaming voor dit verbindingsstuk echter geen onderscheid tussen haken en beugels. De benamingen die voor haken én beugels in het algemeen zijn opgegeven, werden hier voorop geplaatst. [N 13, 59a]
I-10
|