| 22025 |
tortelduif |
roosduifje:
rôêsduufke (L318p Stramproy)
|
tortelduif
III-4-1
|
| 32942 |
touw om het hooi vast te sjorren |
lijn:
līn (L318p Stramproy)
|
Zowel om de hooiboom aan de kar vast te sjorren, alsook om de lading zelf vast te zetten als er geen hooiboom op de lading werd gelegd, werden er doorgaans twee lange stevige touwen gebruikt. Het één werd aan de voorkant van de wagen aan één van de burries (of aan beide) vastgemaakt, of aan een speciaal daartoe aangebrachte ijzeren pin of ring. Aan de achterkant van de wagen werd het touw ofwel ook aan een haak of ring vastgezet en dan door middel van een blok of klos aangespannen of met een knevel aangedraaid, ofwel werd het door een soort windas gehaald, de vregelpaal die onder in de bak van de kar was gemonteerd en dan vast aangedraaid met de vregelstok; zie de toelichting en de afbeelding bij het lemma ''vregelpaal''.' [JG 1d, 2c; A 34, 8 en 12a; add. uit N 17, 71; N 18, 140; A 34, 7, 9 en 12b; Gwn 7, 11; monogr.]
I-3
|
| 29229 |
touwen aan de kruisroeden |
touwtjes:
tǫwkǝs (L318p Stramproy)
|
De kruisroeden kunnen op hun plaats worden gehouden door touwtjes en/of door een gewicht aan een koord of riem. [N 39, 73b]
II-7
|
| 19710 |
trapleer |
trapleder:
trapleier (L318p Stramproy)
|
trapleer [DC 39 (1965)]
III-2-1
|
| 19809 |
trapleuning |
leun:
lø̜n (L318p Stramproy)
|
De leuning van de molentrap. Zie ook afb. 21. [N O, 48k]
II-3
|
| 33852 |
trappelende bewegingen maken |
trippelen:
trēpǝlǝ (L318p Stramproy)
|
Het paard tilt de poten hoog genoeg op, maar werpt ze niet vooruit; het blijft ter plaatse trappelen. [N 8, 70b en 71]
I-9
|
| 26563 |
trapspie |
krophout:
krǫphǫwt (L318p Stramproy)
|
Trapvormige wig die men bij het ophijsen door middel van de steenreep steeds verder onder de stenen schuift. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛsteenreepɛ.' [N O, 20g; Vds 211]
II-3
|
| 26070 |
traptreden |
treden:
trę̄j (L318p Stramproy)
|
De treden van de molentrap. [N O, 48h]
II-3
|
| 26069 |
trapwangen |
bomen:
bø̜jm (L318p Stramproy)
|
De zijplanken of zijbalken van de molentrap waartussen de treden zitten. Zie ook afb. 21. [N O, 48g]
II-3
|
| 19463 |
trede |
trede:
trēi̯ (L318p Stramproy)
|
De ijzeren opstapper die bij de huifkar aan een van de berries is opgehangen. Bij het rijtuig maakt de trede deel uit van de bak. [N 17, 39; N G, 59d; monogr.]
I-13
|