| 22648 |
vastenavond |
vastelavond:
vastəloͅ.vənt (L318p Stramproy)
|
vastenavond [RND]
III-3-2
|
| 21284 |
vechten |
vechten:
faextə (L318p Stramproy)
|
Hij deed geheel de wereld vechten. [RND]
III-3-1
|
| 34266 |
vee |
beesten:
bistǝ (L318p Stramproy),
vee:
viǝ (L318p Stramproy)
|
Alle huisdieren samen: paarden, runderen en kleinvee. Vergelijk het lemma ''veestapel'' (13.12) in deze aflevering. [A 11, 4; JG 1a; RND 4, 31; RND 7, 31; RND 8, 31; RND 10, 31; Wi 52; N C, add.; Vld.; monogr.]
I-11
|
| 34269 |
vee fokken |
fokken:
fǫkǝ (L318p Stramproy)
|
Het houden van vee met als doel de vermenigvuldiging van de dieren. Objecten als "vee" en "koeien" zijn in dit lemma niet gedocumenteerd. [N Q, 10b; monogr.]
I-11
|
| 34268 |
vee houden |
houden:
hǭi̯ǝn (L318p Stramproy)
|
Het houden van vee in het algemeen. De opbjecten "vee", "beesten", "koeien" e.a. worden in dit lemma niet gedocumenteerd. [N Q, 10a]
I-11
|
| 20503 |
veel drinken |
buizen:
buize (L318p Stramproy)
|
drinken; Hoe noemt U: Veel en met graagte drinken (loeriën, leerzen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21423 |
veel geld waard |
veel geld waard:
völ geldj wairt (L318p Stramproy)
|
veel geld waard: Die oude eikehouten kast is - - - [DC 39 (1965)]
III-3-1
|
| 20497 |
veelvraat |
vreetbeer:
vraetbaer (L318p Stramproy)
|
veelvraat; Hoe noemt U: Iemand die gulzig is, gulzigaard (vraat, fretter, veelvraat, doorjager) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 32563 |
veevoermand |
hakselmand:
hɛksǝlmanj (L318p Stramproy),
kafmand:
kāfmanj (L318p Stramproy),
voermand:
vōrmanj (L318p Stramproy
[(bieten)]
)
|
Mand waarin veevoer wordt bewaard of vervoerd, of waaruit het vee te eten krijgt. [N 40, 100; N 40, 106]
II-12
|
| 34244 |
vel op gekookte melk |
vel:
vɛl (L318p Stramproy)
|
Het vlies dat ontstaat bij afkoeling van gekookte melk. [N 6, 16; L 6, 16; L 14, 23; A 39, 7b]
I-11
|