| 21419 |
kwartje |
kwartje:
kwartje (L318p Stramproy)
|
kwartje: Hier heb je een kwartje voor een ijsje [DC 41 (1966)]
III-3-1
|
| 24880 |
kweek |
puinen:
pø̜i̯nǝ (L318p Stramproy),
-
puine (L318p Stramproy)
|
Elymus repens (L.) Gould Zeer algemeen voorkomend hardnekkig onkruid op gras- en bouwland en op akkerranden, dat er grasachtig uitziet met een rechtopstaande aar en donker- tot grijsgroen blad. Het bloeit van juni tot augustus. De lengte varieert van 30 tot 120 cm. Het is een lastig kruipend onkruid met veel onderaardse wortelstokken, die wel als veevoeder gebruikt worden. De boer verwijdert het met de eg uit de akker. Deze plant is ook wel bekend onder de oude naam kweekgras of tarwegras (Triticum repens L.). Zie in verband met de vele puin-opgaven de speciale bibliografie onder Goossens 1985; 1987 en 1988, 109-126. [N 11, 71; JG 1a, 1b, 2c; A 27, 24b; A 28, 10; A 29, 6 en 9; A 33, 17; L 34, 52; L 48, 18; Lu 2, 18; Lu 4, 9; S 20; monogr.; add. uit N 11, 70, 72, 80a en 88] || kweek (Agropyrum repens) [DC 26 (1954)]
I-5, III-4-3
|
| 25836 |
kwekkertje |
kwekkertje:
kwɛkǝrkǝ (L318p Stramproy)
|
Transportvat met een inhoud van 18 liter. [N 35, add.]
II-2
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broek:
brōk (L318p Stramproy)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 18301 |
laars tot of boven de knie |
stevel:
steevel (L318p Stramproy)
|
Hoe noemt men de laarzen (die tot of boven de knie reiken)? [DC 09 (1940)]
III-1-3
|
| 19668 |
lade |
tafellade:
tōͅfəllāi̯ (L318p Stramproy)
|
tafella [DC 53a (1978)]
III-2-1
|
| 29191 |
ladebak |
klepje:
klɛpkǝ (L318p Stramproy)
|
Bakje aan elk der uiteinden van de ladeboom, waarin zich een toestel bevindt voor het vooruitstoten en weer opvangen van de weefspoel. [N 39, 48a]
II-7
|
| 29166 |
ladebalk |
lade:
lāj (L318p Stramproy),
ladeboom:
lājbōm (L318p Stramproy)
|
Een balk dwars over het handweefgetouw waaraan de weeflade met toebehoren is opgehangen. Het woordtype lade betekent hier de ladebalk met lade. [N 39, 11; monogr.]
II-7
|
| 33680 |
lage, natte zandgrond |
vliezige grond:
vlisegǝ gronjtj (L318p Stramproy)
|
[N 27, 35; R 3, 5]
I-8
|
| 18147 |
lam |
lam:
lam (L318p Stramproy),
lām (L318p Stramproy),
lammetje:
lɛmkǝ (L318p Stramproy),
schaapje:
šø̜̄pkǝ (L318p Stramproy)
|
Jong van het schaap in het algemeen. Zie afbeelding 5. [N 70, 3; R 3, 36; S 20; Wi 5; Wi 12; L 20, 22c; L 6, 25; L 1a-m; JG 1a, 1b; AGV, m 3; A 2, 45; A 2, 1; A 4, 22c; Vld.; monogr.]
I-12
|