| 19980 |
kwispelstaarten |
kwikstaarten:
kwiksjtarte (L432p Susteren),
kwispelen:
ideosyncr.
kwispele (L432p Susteren),
WBD/WLD
kwispələ (L432p Susteren)
|
Hoe noemt u de staart heen en weer bewegen, als teken van vriendschap, gezegd van honden (kwispelen, kwipselen, kwipselstaarten, kwispelstaarten) [N 83 (1981)] || kwispelstaarten [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21668 |
kwitantie |
kwitantie:
en kwitantie (L432p Susteren)
|
kwitantie, bewijs van schulddelging [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 24925 |
laag grond |
bank:
bank (L432p Susteren),
bànk (L432p Susteren),
laag:
laag (L432p Susteren),
loag (L432p Susteren)
|
laag (znw.) [SGV (1914)] || laag grond [laag, scheel, bank] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33659 |
laaggelegen weidegrond |
broek:
brōk (L432p Susteren)
|
Laaggelegen, vaak natte weidegrond, die men meestal gebruikt om te hooien. Vergelijk ook lemma 1.3.3 ɛbeemdɛ.' [N 14, 52; N P, 5; JG, 1a, 1b; S 5; A 10, 4; RND 20; L 19b, 2aI; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33650 |
laagte in een akker |
slak:
šlak (L432p Susteren),
zomp:
zømp (L432p Susteren)
|
Laagte of kuil waar de grond steeds vochtig blijft of waar water blijft staan. [N 11, 3a, N 11, add.; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 33699 |
laagte in het landschap |
laagte:
lēgdǝ (L432p Susteren)
|
Een laagte in het landschap in het algemeen. Vergelijk ook lemma 1.2.8 ɛlaagte in een akkerɛ.' [L 29, 30; Wi 11; A 10, 4; S 20]
I-8
|
| 18215 |
laars (alg.) |
stevel:
sjteevel (L432p Susteren)
|
laars [bot, steevel, buus, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18301 |
laars tot of boven de knie |
gamasche:
kamasj (L432p Susteren)
|
laars waarbij de schacht het hele onderbeen bedekt [kapleers, kapsjtievel, kamasj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18374 |
laarzenschacht |
schacht:
sjach (L432p Susteren)
|
schacht van een laars [sjach, sjteevelschach] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18304 |
lage herenschoen, molière |
lage schoen:
lĕg sjoon (L432p Susteren)
|
herenschoenen, lage ~ [N 24 (1964)]
III-1-3
|