| 20205 |
man |
man:
mân (L331p Swalmen),
mens:
miens (L331p Swalmen),
mins (L331p Swalmen)
|
man [RND], [RND], [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 22012 |
man die de behaalde tijden afleest |
klokkenopener:
klokkeâôpener (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
de man die de behaalde tijden afleest? [N 93 (1983)] || het aflezen van de vastgestelde tijden? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 22011 |
man die de uitslag bepaalt |
uitteller:
oetteller (L331p Swalmen)
|
de man die de uitslag bepaalt? [N 93 (1983)]
III-3-2
|
| 24203 |
man, mannelijke zangvogel |
mannetje:
men-ke (L331p Swalmen)
|
mannelijke zangvogel (tersel) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 18422 |
manchet |
manchet:
manzjet (L331p Swalmen)
|
manchet, vaste mouwboord van een overhemd [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18700 |
manchetknoop |
manchettenknoopje:
manzjetteknuipkes (L331p Swalmen)
|
manchetknoopjes [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 26825 |
mand |
mand:
manj (L331p Swalmen),
mantj (L331p Swalmen)
|
De algemene benaming voor een uit wissen gevlochten mand. Zie ook afb. 284. Uit het materiaal blijkt dat er niet altijd een onderscheid wordt gemaakt tussen de woorden mand en korf. Als dat wel wordt gedaan, duidt men met het eerste woord eerder een mand met oren aan, terwijl men het tweede gebruikt voor een mand met een hengsel (vgl. Janssens, pag. 24 e.v.). Zie ook het lemma ɛkorfɛ.' [N 20, 48; N 40, 37; L 1 a-m; S 23; monogr.]
II-12
|
| 33768 |
manen |
manen:
mānǝ (L331p Swalmen)
|
Het lange nekhaar bij een paard. Paarden worden vaak onderscheiden naar de kleur van de manen (zie paragraaf 4.1). Zie afbeelding 2.13. [JG 1a, 1b; N 8, 21]
I-9
|
| 33914 |
manenschurft |
fistel:
festǝl (L331p Swalmen),
manefistel:
mānǝfestǝl (L331p Swalmen)
|
Steeds terugkerende verzwering of verettering, in de maanstapel en in de oren, te wijten aan een te warme, bedompte stal en onvoldoende huidverzorging. Door schuren en wrijven onststaan kale of bloedige verdikkingen waarop korsten komen. [N 8, 90t]
I-9
|
| 33769 |
manenstrang |
kam:
kamp (L331p Swalmen),
manenstrang:
mānǝštraŋk (L331p Swalmen)
|
Gewelfde bovenkant van een paardenek waar de manen ingeplant zijn. Zie afbeelding 2.14. [N 8, 21 en 25]
I-9
|