| 34453 |
met de horens stoten, gezegd van de bok |
stoten:
štōtǝ (L331p Swalmen)
|
[N 19, 75]
I-12
|
| 34625 |
met de kar achteruit rijden |
terugzetten:
tryk˲zetǝ (L331p Swalmen)
|
Voor de voermansroep om het paard achteruit te doen gaan, zie wld I.10 onder het lemma achteruit. [N 17, 95 + 99]
I-13
|
| 34623 |
met de kar rijden, iets vervoeren |
varen:
vārǝ (L331p Swalmen)
|
Dit lemma vormt een aanvulling van het lemma met paard en kar rijden in wld I.10. Alleen de opgaven voor de plaatsen waarvoor in WLD I.10 geen materiaal voorhanden was, zijn hier opgenomen. De kaart combineert de gegevens van beide lemmata. [N 17, 94; RND 97; monogr.]
I-13
|
| 33178 |
met de kruk poten |
krukken:
krø̜kǝ (L331p Swalmen)
|
[N 12, 12; monogr.]
I-5
|
| 22579 |
met de palmpaas rondlopen |
palmpasen:
palmpaose (L331p Swalmen)
|
Op de morgen van Palmzondag (s zondags vóór Pasen) rondlopen met een versierde stok, waarop een voorwerp van brood is bevestigd. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33863 |
met de poten dicht bijeen staan |
(te) eng staan:
eŋ štǭn (L331p Swalmen)
|
[N 8, 78a en 78b]
I-9
|
| 33862 |
met de poten te ver uit elkaar staan |
(te) wijd staan:
wīt štǭn (L331p Swalmen),
bodemwijd staan:
bǭdǝmwīt štǭn (L331p Swalmen)
|
[N 8, 78b]
I-9
|
| 33176 |
met de schop poten, kuiltjes maken |
gater maken:
gātǝr mākǝ (L331p Swalmen)
|
Het poten met de hand, in tegenstelling tot het poten met de ploeg, bestaat eigenlijk uit drie handelingen: (a) het graven van een kuiltje met de schop ofwel het steken van een gat in de grond met de kruk; (b) het gooien van een pootaardappel in dat kuiltje; en (c) het weer dichtmaken van het gat. In de vragenlijst zijn de handelingen (a) en (b) apart afgevraagd; maar soms hebben de zegslieden toch met één algemene term geantwoord. Deze algemene termen voor poten staan achter in het lemma bijeen; voor de fonetische documentatie daarvan zij verwezen naar het lemma Poten. [N 12, 14 en 15; monogr.]
I-5
|
| 22341 |
met de vlakke hand op iemands rug slaan |
klatsen:
klatsə (L331p Swalmen)
|
Met de vlakke hand op iemands rug slaan [batsen, doezen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33855 |
met de voorpoten harkend over de grond krabben |
dabben:
dabǝ (L331p Swalmen),
kratsen:
kratsǝ (L331p Swalmen),
scharren:
šǫrǝ (L331p Swalmen)
|
Met de hoeven in de aarde krabben of wroeten. [JG 1a; N 8, 74]
I-9
|