| 18929 |
stuntelen |
hampelen:
hámpele (L331p Swalmen),
haspelen:
haspele (L331p Swalmen)
|
moeizaam met iets bezig zijn zonder veel te vorderen [haspelen, stuntelen, frotten] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20847 |
suiker |
suiker:
sokkər (L331p Swalmen)
|
suiker [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 33230 |
suikerbiet |
suikerkroot:
sǫkǝrkrǫt (L331p Swalmen)
|
Beta vulgaris L. subsp. vulgaris, var. altissima. De suikerbiet is een veredeling van de voederbiet met een groot aandeel suikers in de vaste bestanddelen en dateert van het begin van de twintigste eeuw. De knol groeit helemaal onder de grond en gedijt het best op kleigronden. Het is één van de belangrijkste cultuurgewassen op de leemhoudende gronden in Limburg en levert de grondstoffen voor de stroopfabricage en voor de suikerindustrie in Haspengouw. De volgorde van de varianten is zoals steeds eerst naar het tweede element (biet, kroot, enz.); daarbinnen naar de varianten van suiker-; naar het vocalisme zijn in dit eerst lid drie groepen te onderscheiden, die wijzen op verschillende ontleningslagen, corresponderend aan de Nederlandse (ø̜i̯) van ɛsuikerɛ, aan de Duitse (u) van ɛZuckerɛ en aan de Franse (y) van ɛsucreɛ. [N 12, 37; N 12A, 2; A 13, 2c; A 49, 3; L B2, 361; L 43, 4a; R 3, 97; monogr.; add. uit JG 1b]
I-5
|
| 20785 |
suikerbrood |
klontjesmik:
kluntjesmik (L331p Swalmen)
|
brood waarin suiker gebakken wordt [N 29 (1967)]
III-2-3
|
| 20543 |
suikerklontje |
klontje:
klunjtjə (L331p Swalmen),
kluntje (L331p Swalmen)
|
klontje; Hoe noemt U: Een blokje suiker (klontje) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 23590 |
suisse |
kerkenzwitser:
kirkesjweitzer (L331p Swalmen)
|
De ordebewaarder in de kerk, de suisse [kerkgendarme, kèrksjanderm, tseijes?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17735 |
suizen van de oren |
tuiten:
mien ore tōēte (L331p Swalmen)
|
suizen van de oren [toewte, fluite] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17978 |
sukkelen |
sukkelen:
sukkele (L331p Swalmen, ...
L331p Swalmen)
|
Sukkelen: aanhoudend ziek of niet gezond zijn, ziekelijk zijn (kwijpelen, plaaieren, op de sukkelbaan zijn, in het sukkelstraatje zijn). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 18126 |
syfilis |
druiper:
drūūper (L331p Swalmen)
|
Syfilis: besmettelijke geslachtsziekte die gewoonlijk begint met een zweer op de geslachtsorganen; uiteindelijk kan elk orgaan aangetast worden (druiper, luizenziekte). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20772 |
taai-taai |
couque de dinant (fr.):
koek denang (L331p Swalmen)
|
taai-taai [N 29 (1967)]
III-2-3
|