| 20800 |
koken (tr.) |
koken:
kō̞kə (L246a Swolgen)
|
koken
III-2-3
|
| 19615 |
kom |
baar:
bōͅr (L246a Swolgen),
kom:
kom (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen),
schaal:
sxōͅl (L246a Swolgen)
|
groot plat bord of platte kom || grote platte kom van aardewerk || kom [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 17813 |
komen |
komen:
komə (L246a Swolgen),
kŏŏme (L246a Swolgen)
|
komen [RND], [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 20005 |
konijn |
konijn:
knient (L246a Swolgen),
knīēn (L246a Swolgen)
|
konijn [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 21266 |
koning |
koning:
kŭning (L246a Swolgen),
køͅniŋ (L246a Swolgen)
|
koning [RND], [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 28400 |
koningin |
koningin:
køneŋen (L246a Swolgen),
moer:
muǝr (L246a Swolgen)
|
Het enige volmaakt vrouwelijke dier in een bijenkolonie. Geslachtelijk is de koningin gelijk aan de werkbij, maar in het larvestadium is de aanstaande koningin gevoed met hoogwaardige voedingsstoffen, de koninginnegelei, en de werkbij niet. In ieder volk is slechts één koningin aanwezig. Haar enige taak bestaat in het leggen van eieren. Zij kan bevruchte of onbevruchte eieren leggen. Uit de bevruchte eieren ontstaan werkbijen of eventueel koninginnen, uit de onbevruchte komen de darren. Een koningin kan een leeftijd van vier à vijf jaar bereiken. Is zij niet meer in staat eieren te leggen en daardoor nutteloos geworden voor de kolonie, dan wordt de oude koningin vervangen door een nieuwe. [N 63, 12d; S 3, L 1a-m; JG 1a + 1b; JG 2b-5, 12; R 3, 42; Ge 37, 37; A 9, 3; monogr.]
II-6
|
| 34186 |
koningskop |
koningskop:
køneŋskop (L246a Swolgen)
|
Uitstulping van de schede in de vorm van een vuistgrote, roze bol. Bij een onvolledige prolapsus vaginae komt een klein deel van schede, namelijk meestal de bovenwand, als een vuistgroot, rood gezwel voor de dag (Berns, blz. 76). Bij een volledig prolapsus vaginae komt de gehele schedewand min of meer te voorschijn. [N 52, 30b; N 3A, 97; N 52, 30a; N 48A, 44a, 44b, 54a en 54d; monogr.]
I-11
|
| 19416 |
kookkachel, fornuis |
fornuis:
forny(3)̄s (L246a Swolgen),
foͅrnys (L246a Swolgen)
|
fornuis [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 20584 |
kooksel |
kooksel:
koͅksəl (L246a Swolgen)
|
kooksel
III-2-3
|
| 33546 |
kool, algemeen: een krop kool |
kool:
koeël (L246a Swolgen)
|
I-7
|