| 24582 |
meidoorn |
doornstruik:
dörre strŭŭk (L246a Swolgen)
|
haagdoorn [SGV (1914)]
III-4-3
|
| 24331 |
meikever |
meikegel:
meikègel (L246a Swolgen),
meikêgel (L246a Swolgen)
|
meikever [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 20309 |
meisje |
deern:
den (L246a Swolgen),
veel gebruikt
dèn (L246a Swolgen),
dolletje:
dölleke (L246a Swolgen),
maagdje:
megje (L246a Swolgen),
mĕgje (L246a Swolgen),
meidje:
madje (L246a Swolgen)
|
meisje [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 24543 |
melde |
schietmelde:
schietmelde (L246a Swolgen),
onkruid
schietmelde (L246a Swolgen, ...
L246a Swolgen,
L246a Swolgen,
L246a Swolgen,
L246a Swolgen,
L246a Swolgen)
|
melde || melde, onkruid
III-4-3
|
| 33294 |
melganzevoet |
schietmelde:
sxitmęldǝ (L246a Swolgen)
|
Chenopodium album L. Zeer algemeen voorkomend onkruid op braakliggend land en bouwland, vooral bij sterke bemesting, en met name ook waar pulpkuilen gestaan hebben. Het heeft witte bloemtrosjes, die van juli tot de herfst bloeien, en bladeren die van boven dof en van onder wit-melig zijn. De hoogte varieert van 15 tot 120 cm. [JG 1a, 1b; A 60A, 83; monogr.]
I-5
|
| 34237 |
melk |
melk:
męlǝk (L246a Swolgen),
mɛ̄lǝk (L246a Swolgen),
romen:
ruǝmǝ (L246a Swolgen)
|
De hoofdzakelijk uit water, eiwit, vet en melksuiker bestaande witte vloeistof die door het vrouwelijk rund wordt afgescheiden. Op de kaart is het woordtype melk niet opgenomen. [A3, 3; A 11, 1c; A 17, 17; A 7, 14; RND 40; RND 127; S 23; JG 1a, 1b, 2c; L 1a-m; L 4, 3; L 29, 5; NE 3, V 6n; Vld.; Gwn 10, 1; monogr.]
I-11
|
| 34241 |
melk zeven |
zijen:
zei̯ǝ (L246a Swolgen)
|
De melk door een doek, zeef of filter laten vloeien om de melk te zuiveren van onbruikbare of verontreinigende stoffen of bestanddelen. [S 46; Wi 30; monogr.; add. uit N 12, L 324]
I-11
|
| 21288 |
melkboer |
melkboer:
mɛləgbu.r (L246a Swolgen)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|
| 19514 |
melkkannetje |
melkschenker:
mɛlksxēŋkər (L246a Swolgen)
|
kannetje om melk te schenken
III-2-1
|
| 19930 |
melkzeef |
melkzij:
mɛlkzei̯ (L246a Swolgen)
|
Voorwerp waarmee men melk zeeft. Het is een soort vergiet met als bodem een doek. De melk wordt uit de melkemmer via deze melkzeef in de melkbus gegoten. Hierdoor blijven grove verontreinigingen achter. Zie afbeelding 11. [A 18, 11a; L 48, 35.Ia; Lu 2, 35.Ia; Gwn 8, 6; JG 1d; monogr.]
I-11
|