| 25080 |
knoeien, morsen, bevuilen |
slabben:
slabbe (L246a Swolgen)
|
morsen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 19076 |
knoest |
noest:
noest (L246a Swolgen)
|
noest [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18262 |
knoop |
knoop:
knoe ep (L246a Swolgen),
knuu ep (L246a Swolgen),
knuǝp (L246a Swolgen)
|
knoop [SGV (1914)] || knoopen (mv.) [SGV (1914)] || Plat, rond schijfje of min of meer bolvormig voorwerpje van been, hout, metaal enz., dat aan kleding of andere gebruiksvoorwerpen wordt genaaid, hetzij als een middel om ze te doen sluiten of met een deel van hetzelfde of met een ander stuk te verbinden. [N 59, 135; N 62, 65a; Gi 1.IV, 48; Wi 5; S 18; MW; monogr.]
II-7, III-1-3
|
| 19350 |
knorrepot |
brombeer:
brómbèèr (L246a Swolgen),
grijnzer:
cf. WNT V s.v. "grijzen II" in de betekenis van grimmende grommen, knorren
grezer (L246a Swolgen),
grompot:
grómpot (L246a Swolgen),
knaaierd:
knāōjerd (L246a Swolgen),
knoajerd (L246a Swolgen),
knaaipot:
knāōjpot (L246a Swolgen),
knibbelaar:
knibbeler (L246a Swolgen),
knorpot:
knŏrpŏt (L246a Swolgen),
krikkelkont:
krekelkōnt (L246a Swolgen)
|
brombeer, knorrepot || brompot || knorrepot [SGV (1914)] || kribbig iemand || kwaadaardige knorrepot || lichtgeraakt meisje
III-1-4
|
| 17880 |
knuppel, knots |
knuppel:
knŭppel (L246a Swolgen),
knøpəl (L246a Swolgen)
|
knuppel [RND], [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 34058 |
koe |
koe:
ku (L246a Swolgen),
kuu̯ (L246a Swolgen)
|
Volwassen vrouwelijk rund, in de regel een rund dat één of meerdere keren gekalfd heeft. Zie afbeelding 5. Op de kaart is het woordtype koe niet opgenomen. [JG 1a, 1b; A 3, 37; A 4, 11; Gwn V, 2a; L 1a-m; L 4, 37; L 5, 27b; L 7, 61b; L 14, 26 en 88; L 20, 11; L 27, 5 en 57; L 29, 44; L 38, 44; L 40, 21b; L 44, 16, 21a en 39; R 12, 29; R (s]
I-11
|
| 34066 |
koe die eenmaal heeft gekalfd |
maal:
mǭl (L246a Swolgen)
|
Zie afbeelding 6. Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe''(3.3.1). [N C, 14a; monogr.]
I-11
|
| 34124 |
koe met hellend kruis |
hangkont:
haŋkōnt (L246a Swolgen)
|
[N 3A, 145a; monogr.]
I-11
|
| 34213 |
koeherder |
koeherd:
kuwhart (L246a Swolgen)
|
Zie ook het lemma ''koewachter, veeknecht'' (1.3.14) in wld I.6, blz. 23-25. [N 3A, 12b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 32568 |
koekenhort, vlaaienhort |
hortje:
hø̜rtjǝ (L246a Swolgen),
koekenhortje:
kūkǝhø̜rtjǝ (L246a Swolgen),
vlaaihortje:
flājhø̜rtjǝ (L246a Swolgen)
|
Doorgaans van witte wissen gevlochten onderzetter, waarop vers gebakken vlaaien of pannenkoeken worden gelegd om af te koelen. [N 40, 97; N 40, 118; N 40, add.; L 1u, 100; L 1a-m; L 35, 107; monogr.]
II-12
|