| 25118 |
donderx |
donder:
de dônder (L270p Tegelen),
hommel:
de hómmel (L270p Tegelen),
den hómmel (L270p Tegelen),
hómmel (L270p Tegelen),
hômmel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
hôm⁄mel (L270p Tegelen)
|
donder [N 22 (1963)] || donder, onweer || onweer [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25021 |
donker, duisterx |
donker:
dònker (L270p Tegelen),
dónker (L270p Tegelen),
dônker (L270p Tegelen),
duister:
duuster (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
dūūster (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
düster (L270p Tegelen),
kaens gaen hank veur de auge zeen zoe duuster is ⁄t (L270p Tegelen),
Dit woord is beter!
düster (L270p Tegelen)
|
donker [donkel, duuster, domp] [N 06 (1960)]
III-4-4
|
| 34042 |
donkerbruine koe |
bonte koe:
boŋtǝ [koe] (L270p Tegelen),
bruine:
brūn (L270p Tegelen),
vale:
vālǝ (L270p Tegelen)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 131a]
I-11
|
| 20324 |
dood (bn.) |
dood:
doēd (L270p Tegelen),
dōt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
du:ət (L270p Tegelen),
dôet (L270p Tegelen)
|
dood (bijv.) [DC 03 (1934)] || dood; ¯t kindje was - eer (dat) ze ¯t konden dopen [RND]
III-2-2
|
| 20432 |
doodskist |
doodskist:
doeëdskis (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
de doodskist [N 96D (1989)] || De doodskist. [N 96D (1989)]
III-2-2, III-3-3
|
| 20438 |
doodskleed |
doodshemd:
doodshemd (L270p Tegelen),
doëdshemd (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
verouderd
doodshemd (L270p Tegelen),
doodskleed:
doodskleed (L270p Tegelen),
doèds kleid (L270p Tegelen),
doodsmantel:
doodsmantel (L270p Tegelen),
doëdsmankel (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen,
L270p Tegelen),
verouderd
doodsmantel (L270p Tegelen),
pyjama:
thans
pyama (L270p Tegelen)
|
bekleding van de overledene, wanneer hij in de doodkist wordt gelegd (thans inventarisatie; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] || bekleding van de overledene, wanneer hij in de doodkist wordt gelegd (vroeger inventarisatie; betekenis/uitspraak [N 23 (1964)] || doodskleed; hoe noemt men het doodskleed (hinnekleed, reekleed, regenkleed, enz.)? Moet dit kleed aan bepaalde voorwaarden voldoen? [VC 03 (1937)] || doodskleren; hadden ze een bijzondere naam? [VC 30 (1964)] || kleding waarmee overledene wordt bekleed [N 23 (1964)]
III-2-2
|
| 23469 |
doodsklok |
doodsklok:
doedsklok (L270p Tegelen),
doeedsklok (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
De klok die geluid wordt na het overlijden en/of bij de begrafenis van iemand [dôdsklok, dódsklok, dödsklok, doeëdsklok?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 25374 |
doodsteken |
steken:
štē̜kǝ (L270p Tegelen)
|
Nadat het dier is verdoofd, wordt het ogenblikkelijk de keel doorgesneden, opdat het nog pompende hart het bloed uit het lichaam kan stuwen. De woordtypen in dit lemma kunnen zowel duiden op het doodsteken van een varken als op het doodsteken van een rund. Een bij de opgave toegevoegd object ''varken'', ''koe'', ''beest'' wordt niet in het woordtype opgenomen. [N 28, 11a; N 28, 11b, N 28, 12a; N 28, 13b, monogr.]
II-1
|
| 23958 |
doodzonde |
doodzonde:
doeedzonde (L270p Tegelen)
|
Doodzonde, dodelijke zonde [doeëdzund]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19590 |
doofpot |
amerenbus:
ǭmǝrǝbø̜s (L270p Tegelen),
doofpot:
doͅu̯fpoͅt (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen),
dǫwfpot (L270p Tegelen),
dǫwfpǫt (L270p Tegelen),
duiveltje:
dūūvelke (L270p Tegelen)
|
Aarden pot waarin de as van turf of kolen wordt gedoofd. [N 49, 119a; monogr.] || De doofpot voor het verzamelen van de houtresten. Op grond van de woordtypen binnen dit lemma ziet men dat hiervoor verschillende voorwerpen worden gebruikt: een ketel, pot, emmer e.a.. Als men de houtskool niet in zo''n ketel of pot stopt, wordt hij gewoonlijk in de ruimte onder de oven geworpen of in de hoeken opzij van het ovendeurtje. Volgens de informant van P 178 is de "bluspot" een grote cilindervormige, ijzeren bus met twee handvatten en een deksel. De houtskool is, eenmaal gedoofd en gezift, zeer geschikt om de kachel of stoof aan te maken. Zelfs wordt de houtskool aangewend om loog, het zeepwater voor de lijnwaadwas, te maken. Ook om beekwater "zoeter", dit is minder scherp, te maken wordt houtskool gebezigd (in P 178). Hiertoe wordt een mand op vier stokken boven een kuip geplaatst. De mand wordt goed gevuld met houtskool en hierin wordt het te verzoeten water gegoten dat door spleten van de mand in de kuip sijpelt. Houtskool kan ook nog gebruikt worden als weidebemesting (Q 3, Q 5). Ten aanzien van het woordtype "douche" zij opgemerkt dat dit voorwerp heel waarschijnlijk een warmwaterketel is waarmee dan de houtskool ook geblust kan worden (zie ook de toelichting bij het lemma ''doofpot'' in het wbd ii afl. 1 blz. 75). Zie afb. 13. [N 29, 11d; OB 2, 2f; monogr.] || doofpot [N 05A (1964)], [N 49 (1972)] || pot, gegoten, van ijzer, waarin men het houtskool koud laat worden (aomerepot, kriekepot, smoorpot) [N 20 (zj)]
II-1, II-8, III-2-1
|