| 21345 |
fluisteren |
fiespelen:
fiespele (L270p Tegelen),
smiespelen:
Van Dale: smiespelen, fluisteren, smoezelen.
smiespələ (L270p Tegelen)
|
fluisteren [DC 16 (1948)] || fluisterend praten
III-3-1
|
| 24147 |
fluiter |
taats:
taats (L270p Tegelen)
|
fluiter
III-4-1
|
| 19594 |
fluitketel |
fluitketel:
fluitkètel (L270p Tegelen)
|
waterketel van koper of ijzeren met hengsel en tuit (moor, meur) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 33755 |
fokmerrie |
fokmeer:
fǫkmē̜r (L270p Tegelen)
|
Een merrie geschikt voor de kweek of die één of meer veulens gehad heeft. Een kweekmeer werkt niet (Q 168), terwijl een veulensmeer ook in de kar loopt (Q 77). In tegenstelling tot een veulensmeer is een kweekmeer gewoonlijk drachtig. Kleinere boeren zorgen ervoor een veulensmeer te hebben, die jaarlijks een veulen werpt, waardoor elk jaar een aanspanner ter beschikking staat. [JG 1a, 1b; A 4, 2a; L 11, 11; L 20, 2a; L A1, 92; S 27; Wi 4; monogr.]
I-9
|
| 20143 |
fopspeen |
fiep:
fiep (L270p Tegelen, ...
L270p Tegelen)
|
fopspeen; hoe heet in uw dialect de fopspeen die men kleine kinderen in de mond stopt om ze stil te krijgen [DC 43 (1968)]
III-2-2
|
| 34119 |
forsgebouwde koe |
staatse koe:
štātsǝ ku (L270p Tegelen),
stukkige koe:
stø̜kegǝ ku (L270p Tegelen)
|
[N 3A, 141a]
I-11
|
| 29840 |
fossielen |
knoken:
knø̜̜̄̄k (L270p Tegelen)
|
De versteende resten in de kleilaag van een tropische fauna die in Limburg in het milde klimaat van een pre-glaciaal tijdvak (Günz-Mindel Interglaciaal) geleefd heeft. [monogr.]
II-8
|
| 24084 |
franciscaan |
bruine pater (lat.):
broene paoter (L270p Tegelen)
|
Een Franciscaan of Minderbroeder [bruine pater, de Broune, Minnebroor, broene paater]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 31875 |
freesmachine |
freesmachine:
frē̜smǝšin (L270p Tegelen)
|
Machine, bestaande uit een metalen frame waarop een verticale as is aangebracht die voorzien is van een aantal beiteltjes. Met de freesmachine kunnen inkervingen in het hout worden aangebracht. Ze wordt ook gebruikt om bepaalde profielen in het hout aan te brengen en is dan vaak de vervanger van de profielschaven. Zie ook afb. 56. [N 53, 86a; monogr.]
II-12
|
| 25240 |
fris weer |
ozelig:
oozəlig (L270p Tegelen)
|
tamelijk koud, gezegd van het weer [koutig] [N 81 (1980)]
III-4-4
|