| 29510 |
fritten |
fritten:
fritǝ (L270p Tegelen)
|
Het glazuur op voorhand smelten om het daarna te malen voor gebruik. Het fritten werd in L 270 zelden zelf gedaan. [N 49, 55]
II-8
|
| 33529 |
fruit, ooft |
fruit:
fruit (L270p Tegelen)
|
I-7
|
| 20536 |
fruiten |
aanbraden:
áanbraojə (L270p Tegelen)
|
fruiten; Hoe noemt U: Vlees of uien bruin braden (fruiten, fritten) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 24443 |
fruitworm |
appelworm:
Veldeke (iets gewijzigd)
appelworm (L270p Tegelen),
worm:
worm (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
worm (L270p Tegelen),
wormpje:
Tegelen Wb.
wörmke (L270p Tegelen)
|
worm die in een appel huist [pieremenneke] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 19727 |
fuchsia |
bellenstruik:
bel’le’sjtróek (L270p Tegelen),
-
bel’le’sjtróek (L270p Tegelen),
bellenstruikje:
belle sjtrükske (L270p Tegelen)
|
fuchsia [DC 57 (1982)]
III-2-1
|
| 22851 |
fuik |
fuik:
fóek (L270p Tegelen)
|
Fuik, korfvormig visnet.
III-3-2
|
| 30056 |
fundament |
fundament:
føndamɛnt (L270p Tegelen),
fundering:
føndēreŋ (L270p Tegelen)
|
De grondvesten van een gebouw. Het fundament kan al dan niet onderheid zijn, wordt in metselsteen, stampbeton of gewapend beton uitgevoerd en reikt tot aan het maaiveld of de begane grond. [N 31, 1a; N 31, 1b; N 31, 1c; monogr.]
II-9
|
| 30104 |
fundament van de schoorsteen |
voet:
vōt (L270p Tegelen)
|
Het metselwerk waarop de schoorsteen rust. Een fundament voor een meestal buiten de muur liggende schoorsteen opmetselen werd in Q 121 'een console uitmuren' ('eŋ kǫnsǫl ūsmūrǝ') genoemd. [N 32, 25b; monogr.]
II-9
|
| 30053 |
funderingssleuven uitsteken |
(de) fundering uitsmijten:
dǝ føndēreŋ u.tšmītǝ (L270p Tegelen),
de fundering uitschachten:
dǝ føndēreŋ u.tšaxtǝ (L270p Tegelen)
|
Gleuven uitsteken langs de vier wanden op de bodem van de uitgegraven kelderruimte. In de sleuven worden later de fundamenten geplaatst. Zie voor het woordtype 'gescheuten' (Q 194) ook RhWb dl. VII, k. 962, s.v. 'Geschäu': ø̄das Mauerwerk aus Bruchsteinen an der Erde, auf dem die Balkenlage des Fachwerkhauses ruht.ø̄ [N 30, 25a; monogr.]
II-9
|
| 17807 |
gaan |
gaan:
gaon (L270p Tegelen),
B.v. dae geit de stroat aaf.
gaon (L270p Tegelen),
B.v. dae geit wie ne lüks; dae ging m tippele; gang mèt verstangk; veerveutig ging m dr tössenoet.
gaon (L270p Tegelen),
B.v. ich gaon effe weg.
gaon (L270p Tegelen)
|
lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)]
III-1-2
|