| 20479 |
leeftijd, ouderdom |
leeftijd:
gi-j lopt nag flink veur eemrs van euge
laeftied (L270p Tegelen),
ouder:
al’der (L270p Tegelen),
geej laupt nag flink vur eemes van uggen
alder (L270p Tegelen),
geej lopt nag flink vur eemes van uggen
alder (L270p Tegelen),
geek lop nag flink vur eemes van eugen
alder (L270p Tegelen)
|
leeftijd, ouderdom || U loopt nog flink voor iemand van uw leeftijd. [DC 39 (1965)]
III-2-2
|
| 24973 |
leeg, niets bevattend |
leeg:
lēͅg (L270p Tegelen),
lèch (L270p Tegelen),
ps. onder de ´ staat nog een streepje; deze combinatieletter is niet te maken (of bedoelt invuller er de klemtoon mee?).
lĕg (L270p Tegelen)
|
leeg (ijdel, ijl, laas) [DC 03 (1934)]
III-4-4
|
| 18920 |
leegloper |
miggnger (du.):
meu’tiggenger (L270p Tegelen)
|
luilak, leegloper
III-1-4
|
| 29437 |
leemkuil |
ring:
reŋk (L270p Tegelen
[(kuil rond de kleimolen waarin de kleivoorraad gebracht werd)]
)
|
De put of kuil waarin de gedolven klei kan rotten. Het woordtype leemgat (L 163) duidde een kuil met een afmeting van 5x3x1.60 m waar water aan de gedolven klei werd toegevoegd. De leemkuil, eveneens in L 163, bevond zich in tegenstelling tot het leemgat in de buitenlucht. De klei in de leemkuil werd in L 163 met behulp van een houten hamer met een lange steel vast op elkaar geklopt om een vaste massa te krijgen. [N 49, 6; N 49, 16c]
II-8
|
| 30186 |
leemspecie |
spijs:
špījs (L270p Tegelen)
|
Het mengsel van leem, koemest, strohaksel en in een aantal plaatsen ook varkens-, paarde-, of mensenhaar, waarmee het vlechtwerk wordt dichtgepleisterd. Zie voor het woorddeel 'kleen-' in het woordtype 'kleenleem' (Q 18) ook het lemma 'Bepleisteren'. [N 4A, 53c; N 31, 45c; div.]
II-9
|
| 19365 |
leep, doortrapt |
schlau (du.):
sjlóuw (L270p Tegelen)
|
sluw, geraffineerd, berekenend
III-1-4
|
| 23613 |
leerrede |
preek:
preek (L270p Tegelen)
|
Een leerrede, een tekstverklarende preek, homilie. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30861 |
leest |
leest:
lęjs (L270p Tegelen)
|
De pasvorm, meestal van beukenhout, waaraan men de schoenen maakt. "De leest waarop de schoen gemaakt wordt, moet als het ware net een afgietsel zijn van de voet, en voor wat de stand aangaat, geschikt zijn volgens de hoogte der hiel waarvoor hij zal gebruikt worden" (Dierick, pag. 7). [N 60, 185a; N 60, 244a; L 1a-m; L 30, 8; S; monogr.]
II-10
|
| 22749 |
leeuw |
leeuw:
ene lii(oe)(w) (L270p Tegelen)
|
leeuw [GTRP (1980-1995)]
III-3-2
|
| 20110 |
leeuwenbek |
gapertje:
gae’perkes (L270p Tegelen),
tuinbloemen
gaeɛperkes (L270p Tegelen)
|
grote leeuwebek || leeuwenbekjes
III-4-3
|