| 34087 |
staartkwast |
kwast:
kwast (L270p Tegelen),
poes:
puu̯s (L270p Tegelen),
pūs (L270p Tegelen),
poesje:
pȳskǝ (L270p Tegelen)
|
Kwastig uiteinde van de staart. [N 3A, 114]
I-11
|
| 21272 |
stad |
stad:
štat (L270p Tegelen)
|
stad [RND]
III-3-1
|
| 23591 |
staf van de suisse |
staf:
sjtaaf (L270p Tegelen)
|
De staf of hellebaard van de suisse [sjtaaf?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28377 |
stal |
stal:
šta.l (L270p Tegelen)
|
Een ruimte in het algemeen, die onderdak biedt aan vee. De benamingen kunnen zowel het gebouw, als de ruimte daarbinnen betreffen. Meestal wordt kortheidshalve van "de stal" gesproken, als men het veeverblijf en met name de koestal bedoelt. [JG 1a en 1b; Wi 11; S 50; L A1, 4; RND 97; monogr.; add. uit N 5A, passim]
I-6
|
| 33928 |
stalband |
halsband:
hals˱baŋk (L270p Tegelen),
halsketting:
halskɛteŋ (L270p Tegelen)
|
Leren band om de hals van het paard, waaraan de lijn of teugel wordt vastgemaakt om het op stal vast te binden. Vergelijk ook lemma Halster. [JG 1a; N 8, 91; N 13, 18b]
I-10
|
| 29967 |
stalen steigerverbinding |
steigerklem:
[steiger]klɛm (L270p Tegelen)
|
U-vormige stalen beugel met plaat waarmee de verschillende delen van een houten steiger met elkaar worden verbonden. Op de beide uiteinden van beugel is schroefdraad aangebracht. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(steiger)-' het lemma 'Steiger'. [N 32, 2e; monogr.]
II-9
|
| 19593 |
stallamp |
lucht:
(werden gebruikt om in de hand te dragen en bij te lichten)
luchte (L270p Tegelen)
|
lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 19548 |
stallantaarn |
stallucht:
šta.lløx (L270p Tegelen),
štallø.x (L270p Tegelen)
|
stallantaarn
III-2-1
|
| 21135 |
stallen |
koorbanken:
koeerbank (L270p Tegelen),
koerbenk (L270p Tegelen)
|
De koorbanken aan de zijkanten van het priesterkoor [stallen, stalles, koorstallen, koorstoelen, kanunnikenbanken]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 33369 |
stalpalen |
ringen:
ringen (L270p Tegelen),
stalposten:
(enk)
štalpǫst (L270p Tegelen)
|
De vertikale houten palen (later vaak ijzeren stangen of buizen) waar de koeien aan vastgebonden worden. Tussen twee palen door kan een koe uit een krib eten. Van onderen staan de palen in een verbindingsbalk (zie het lemma "koedrempel, kribbeboom" (2.2.20), soms in de grond of in de rand van de krib. Van boven worden de stalpalen bijeen gehouden door de bovenste kribbeboom. In veel plaatsen komen geen stalpalen voor. De koeien zijn dan vastgebonden aan ringen in de krib of aan ringen in de koedrempel. Modernere stallen kennen dan vaak wel weer stalpalen. Opgaven die geen stalpaal betreffen maar een ring etc. zijn apart geplaatst en meestal slechts als woordtype vermeld. De vraag naar de stalpalen deed een aantal respondenten denken aan een box. Deze opgaven zijn achteraan geplaatst. Onder de in dit lemma opgenomen enkelvoudsvormen zijn er die ook gebezigd kunnen worden voor het hekwerk van stalpalen (als collectief), voor de bovenste kribbeboom of voor de koedrempel. Zie ook afbeelding 8 bij het lemma "voorstal" (2.2.5) en afbeelding10.B bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 38a; N 4, 60; A 10, 11; monogr.]
I-6
|