| 25566 |
te nat |
klef:
klɛf (L270p Tegelen),
pikkerig:
pikkerig (L270p Tegelen),
verzopen:
vǝrzǭpǝ (L270p Tegelen)
|
Gezegd van deeg. In dit lemma komen verschillende grammaticale categorieën voor. [N 29, 29b; monogr.] || Het lemma valt uiteen in verschillende grammaticale categorieën. De eerste categorie benamingen is bijvoeglijk van aard. De tweede groep bestaat uit opgaven die een zelfstandigheid aanduiden en de derde groep bestaat uit werkwoorden. [N 29, 67; monogr.]
II-1
|
| 25442 |
te snel verwerkt |
niet genoeg verstorven:
nēt gǝnox vǝrštorvǝ (L270p Tegelen),
te slap:
tǝ šlap (L270p Tegelen)
|
Het slachtvee moet, nadat het is gedood en uitgeslacht, een poos besterven. Pas als het vlees door en door koud is geworden kan het verwerkt worden. Doet men dit eerder, dan is de smaak van het vlees minder en bederft het veel sneller. Bovendien laat niet afgekoeld vlees zich veel moeilijker snijden dan koud vlees, dat immers steviger is. [N 28, 96; monogr.]
II-1
|
| 29099 |
te strakke mouw |
enge mouw:
eŋǝ mu (L270p Tegelen)
|
Mouw die te strak zit. [N 59, 130b]
II-7
|
| 28532 |
te veel zwermen |
kaalzwermen:
kaalzwermen (L270p Tegelen)
|
Het te veel zwermen van een volk. Wanneer een volk te veel zwermt, verzwakt het. Elke zwerm is een splitsing en daardoor een verzwakking van het moedervolk. Wanneer een volk zo sterk achteruitgaat in bijental, dat het zich niet meer kan handhaven, heeft het zich doodgezwermd. [N 63, 39d]
II-6
|
| 29096 |
te wijde mouw |
rimpelmouw:
rømpǝlmu (L270p Tegelen)
|
Mouw die te wijd is. [N 59, 130a]
II-7
|
| 34634 |
te zwaar in de rug |
te zwaar in de rug:
tǝ žwǭr en dǝ rø̜k (L270p Tegelen)
|
Als men teveel vooraan in de kar laadt, kan het paard de kar moeilijker trekken, omdat door het gewicht van de lading de draagriem op de rug van het paard drukt, waardoor het paard snel vermoeid raakt. [N 17, 96 + 99]
I-13
|
| 24385 |
teek |
teek:
teek (L270p Tegelen),
Tegelen Wb.
teek (L270p Tegelen),
Veldeke (iets gewijzigd)
teek (L270p Tegelen)
|
teek || teek, spinachtig diertje dat zich vastzet op de huid van mens en dier en zich voedt met bloed [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 17715 |
teelballen |
ballen/bollen:
Grof.
böl (L270p Tegelen),
klossen:
Schertsend.
kölse (L270p Tegelen),
kloten:
klōēte (L270p Tegelen),
Grof.
kloëte (L270p Tegelen)
|
[N 10c (1961)] [N 10c (1995)]
III-1-1
|
| 33793 |
teelballen, testes |
bollen:
bø̜l (L270p Tegelen),
kloten:
klūu̯ǝtǝ (L270p Tegelen)
|
[JG 1b; N 8, 36, 37a, 37b, 37c en 38]
I-9
|
| 34343 |
teeldriftig |
hitsig:
hętsex (L270p Tegelen)
|
Geslachtsdrift vertonend, gezegd van het mannelijk varken. [A 43, 20b; monogr.]
I-12
|