| 19681 |
de was bleken |
bleken:
blēīəke (L270p Tegelen),
de was bleken:
də was blei̯kə (L270p Tegelen)
|
het bleken van wasgoed in de zon op een grasveld [DC 15 (1947)]
III-2-1
|
| 19716 |
de was doen |
schrompen:
šrompə (L270p Tegelen)
|
wasgoed op het wasbord behandelen
III-2-1
|
| 19643 |
de was stijfselen |
stijven:
stieven (L270p Tegelen),
štīvə (L270p Tegelen)
|
stijven || Wat is bij u de uitdrukking voor \'het linnen stijven\'? (stijven, stijselen) [N 104 (2000)]
III-2-1
|
| 31768 |
de zaag ontspannen |
ontlaten:
ontlǭtǝ (L270p Tegelen)
|
Het zaagblad van de spanzaag op lagere spanning brengen door het spantouw met behulp van het spanlatje losser te draaien. [N 53, 32b]
II-12
|
| 31767 |
de zaag spannen |
spannen:
španǝ (L270p Tegelen)
|
Het zaagblad van de spanzaag op grotere spanning brengen door het spantouw met behulp van het spanlatje aan te draaien. [N 53, 32a; N I, 1b add.; monogr.]
II-12
|
| 31778 |
de zaagtanden strijken |
afstrijken:
āfštrī.kǝ (L270p Tegelen)
|
De door het gebruik ongelijk afgesleten zaagtanden aan de punten plat afvijlen om ze weer even lang te maken. Zie ook het lemma ɛstrijkvijlɛ.' [N 50, 37c; N 53, 24d; monogr.]
II-12
|
| 31783 |
de zaagtanden vijlen |
vijlen:
vīlǝ (L270p Tegelen)
|
De zaagtanden na het zetten met behulp van een, meestal driekantige, vijl scherp maken. [N 50, 37c; N 53, 24b-c; monogr.]
II-12
|
| 31780 |
de zaagtanden zetten |
zetten:
zętǝ (L270p Tegelen)
|
De zaagtanden afwisselend naar links en naar rechts buigen om de snede van de zaag breder te maken dan het zaagblad. Op deze wijze gaat de zaag beter door het hout. Het zetten van de zaagtanden wordt gedaan met behulp van de zaagzetter of de zaagzettang. Zie ook deze lemmata. [N 50, 37a; N 53, 24a; N 53, 24c; monogr.]
II-12
|
| 34344 |
de zeug naar de beer brengen |
na(ar) de beer gaan:
nǭ dǝn bē̜r gǭn (L270p Tegelen)
|
De zeug laten dekken door de beer, het mannelijk varken. [N 19, 30; JG 1a, 1b, 2c; N 76, add.; monogr.]
I-12
|
| 23470 |
de zondag inluiden |
voor de zondag luiden:
luuje vur de zondaag (L270p Tegelen)
|
Het luiden van de klokken op zaterdagavond na het angelus [zondag luiden, de zondag inluiden?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|